Niemand in heel de wereld die weet hoe zakkig het is om te wonen in Biroeljovo, dacht Sergej en keek uit het mistroostige raam, bespikkeld met verse regendruppels, naar de blinkende natte straten beneden. Het was net opgehouden met schemeren en een wind vol regen kletterde tegen het raam en deed de spullen op het balkon rammelen.
Sergej liet zijn voorhoofd rusten tegen het venster. Anderhalf uur rijden van het centrum. Geen metro. Enkel blokken. Blokken en nog meer blokken. Legoland. ‘Blokken vol crapuul, kakkerlakken en ratten,’ had zijn vader steeds gezegd. De lafaard.
Hier en daar waren auto’s aan het parkeren. Sergejs raam keek uit op de enorme atriumvormige koer, dertien verdiepingen lager, waar auto’s geparkeerd stonden rond een aftands speeltuintje, met een roestige schommel en een zandbak waar de katten in kwamen schijten. De koer was aan vier kanten ingesloten door zestien verdiepingen hoge appartementsblokken uit vaalgrijze betonnen panelen. In de appartementen brandde ondertussen licht: het was een zaterdagavond en de mensen zaten achter de televisie te kijken naar één of andere domme show, ze zaten te eten en te drinken of lagen in bad.
Lees verder


