COMPUTERLES
Door Klaus Gena
===============
Op een dag stond hij voor me.
Toen ik Zinovij leerde kennen, had ik iets tegen andersdenkenden, net zoals de rest van mijn collega’s. Achteraf gezien begreep ik dat we er bang van waren, hoe vreemd dat ook mag klinken. Wij, getrainde spierbundels in kevlar harnassen, tot op de tand gewapend en op demonstraties meestal in grotere getale dan de demonstranten zelf, dat zootje ongeregeld in uitgerafelde zelfgebreide truien, blote tenen in sandalen en frêle brilletjes, dat maar geen slagorde kon vormen omdat ze het onderling niet eens konden raken over wie de leider moest zijn, wij moesten onszelf voor elke opdracht moed inspreken en elkaar ophitsen met allerlei woorden vol haat en weerzin om die angst te overwinnen, de angst dat we besmet zouden raken met het virus van de twijfel, de angst dat het onze hersenen zou binnensijpelen met een mooie beeldspraak.
Ik stond dus nerveus in zijn deurgat, voelde me naakt zonder mijn harnas, zonder mijn collega’s naast me, in mijn gedachten pakte ik mijn schild en sloeg er ritmisch op met mijn matrak, ondertussen stampend met mijn voeten, als om de boze geesten te verjagen. Op een gespeeld onbezorgde toon stelde ik hem de vraag of hij mij niet wilde leren werken met de computer, zodat ik beter mijn vaderland kon dienen. Dat was ongeveer de toedracht en zo had de kolonel me gezegd dat ik de vraag moest stellen.
-2-
Geen zwakte tonen, er een positieve draai aan geven.
Wat kon Zinovij daarop zeggen? Hij moest er wel een idee van hebben gehad wat voor een buurman er woonde op zijn verdieping en wat de mogelijke gevolgen waren van een weigering. Hij knikte dus bedachtzaam en liep me voor, schuifelend de gang in op zijn versleten slippers, langs rijen met boekenkasten en dozen vol drukwerk, waarvan ik besloot te doen alsof ik ze niet gezien had. Dat was mijn eerste fout. Wel, nu beschouw ik dat niet als een fout, maar toen wel.
Ik had toen trouwens niet veel keus. Ik kon die berg papierwerk niet meer aan. ‘s Nachts kon ik er niet van slapen. Mijn collega’s lachten me uit. Voor hen was het natuurlijk gemakkelijk. Zij waren van de computergeneratie. Ik was van de kleurentelevisiegeneratie. Maar Zinovij lachte me helemaal niet uit. Hij leek het absoluut normaal te vinden dat ik niks van computers wist en legde me met engelengemak uit waar al die knopjes voor dienden, zoals escape, enter en de backspace-toets.
Zinovij’s gedachten hadden wel de gevaarlijke neiging af te wijken van het onderwerp. Om de haverklap begon hij over onze leiders, de alomvattende corruptie en de politiestaat waarin we leefden. Met dat laatste kon ik overigens alleen maar akkoord gaan. We leefden in een politiestaat en dat was maar goed ook, kwam me zo voor. Hij had het ook over hoe de regering moest worden omvergeworpen en er een anarchistische samenlevingsvorm met ruilhandel en nudisme op poten moest worden gezet.
-3-
Daar was ik het minder mee eens.
Maar ik probeerde niet te luisteren naar deze gevaarlijke redevoeringen en concentreerde me op het werk met de computer, hoewel Zinovij’s gejengel me in de war bracht. Eigenlijk had ik hem moeten aangeven. Maar hij was drie keer goedkoper dan alle andere computerleraars die ik had opgebeld.
Na de les verliet ik telkens zijn appartement met het gevoel dat ik iets hopeloos verkeerds had gedaan en liep ik enkele dagen lang prikkelbaar en slecht gezind rond. Mijn vrouw merkte op dat ik minder spraakzaam en joviaal was na de lessen en probeerde me te overtuigen de brui eraan te geven. ‘Je hebt toch helemaal geen computer nodig om je werk goed te doen,’ zei ze. ‘Leg dat maar uit aan de kolonel,’ zei ik. Maar het was niet alleen de kolonel die me de lessen deed volgen, ik voelde ondertussen een vreemde aantrekkingskracht. Zinovij had zijn zaadje geplant, zoals dat zo mooi gezegd wordt in de film Inception met Leonardo Di Caprio, waar hij een blauwe sweater draagt die mijn schoonbroer per se op de kop wilde tikken.
Ik bleef dus naar mijn les gaan, elke donderdag stipt om zeven uur ‘s avonds. De praatjes van Zinovij was ik ondertussen gewoon. Hier en daar ontdekte ik zelfs een greintje waarheid en begon ik zaken van verschillende kanten te bekijken. Ik begon aandachtiger naar hem te luisteren. Dat was per slot van rekening interessanter dan de zoutloze pap die we op televisie en radio voorgeschoteld kregen. Zinovij opende onbekende delen van mijn hersenen.
-4-
Ik begon te smachten naar zijn gezelschap, net als naar de omelet uit tien scharreleieren die mijn vrouw me elke ochtend bakte. Zonder dat voelde ik me stikken. Want mijn collega’s, echte bullebakken, praatten enkel over tieten, achterwerken, lange piemels, carburators, velgen, laagprofielbanden, homoseksuelen en voetbal.
Niemand vermoedde, zelfs ik niet, dat ik een intellectueel gesprek kon voeren. Iedereen dacht dat ik alleen hard kon meppen (wat zeker en vast het geval was). Dat ik sterk was en een karrewiel op mijn rug van het ene dorp naar het andere kon dragen zonder het één keer op de grond te zetten. Ik was een latent intellectueel. Een beul met een hart.
Maar werk en vrije tijd hield ik vooralsnog strikt gescheiden. Want wanneer de demonstranten op straat stonden en met borden begonnen zwaaien met allerlei slogans op, dan ging mijn bloed koken en verloor ik alle controle over mijzelf. Ik stond daar dan met mijn schild en mijn helm en mijn matrak en voelde me als een stier die de arena in moest onder luid gejoel van de toeschouwers, klaar om hamok te maken.
Ik dacht dat ik zo zou kunnen blijven leven en twee levens tegelijkertijd leiden, dat mijn zwakheid geheim zou blijven voor mijn collega’s en Zinovij niet te weten zou komen waar ik me werkelijk mee bezighield.
Op een dag viel mijn oog tijdens een demonstratie op het volgende plakaat: ‘Weg met iedereen!’ Ik isoleerde het en ging er achteraan.
-5-
Met mijn matrak hakte ik me een weg door de demonstranten, als met een machete door de jungle, tot bij het plakaat, dat het bloed in mijn ogen deed lopen van woede. Ik hamerde, stampte, mepte, trommelde op het wollen truitje, de versleten kostuumbroek en sandalen met witte sportsokken – de bril was al lang de grond op gekletterd en had ik verbrijzeld onder mijn zwarte zolen – en diende de genadeslag toe aan het ondertussen op de grond gezegen lichaam dat met zijn handen zijn hoofd probeerde te beschermen.
En toen herkende Ik Zinovij’s horloge. Ik had er de dag voordien ook al naar zitten kijken toen hij thee aan het drinken was: het was een jongenshorloge met Mickey Mouse op het wijzerblad afgebeeld. Mickey’s linkeroor wees de minuten aan en zijn rechteroor de seconden. Ik had dat nogal ridicuul gevonden, omdat de oren zo groot waren dat je onmogelijk de tijd correct kon lezen. Je moest altijd uitgaan van een foutmarge van een kwartier. Alleen om twaalf uur, wanneer de oren elkaar overlapten, kon je zeker zijn van de juiste tijd. En om half zes was Mickey helemaal kaal! Ik had gevraagd aan Zinovij of hij dat normaal vond, maar die had gewoon geantwoord dat het inderdaad zo hoorde.
Het glas van het horloge was gebarsten en de oren hingen droevig aan weerskanten van Mickey’s hoofd (het was twintig voor vijf). Ik voelde het bloed uit mijn hoofd wegtrekken. Ik bukte me over Zinovij, draaide hem om en haalde zijn armen weg van zijn gezicht. Zijn gelaatsuitdrukking was er één van pijn, verstild als op een masker.
-6-
Ik probeerde zijn polsslag, maar daar had ik maar weinig kaas van gegeten. Ik sleepte hem tot achter onze manschappen en riep er onze dokter bij.
Zinovij was er erg aan toe. Ik had ongeveer al zijn botten gebroken. Hij moest minstens twee weken in intensive care doorbrengen.
Ook ik raapte de vruchten van mijn gedrag en verloor enkele graden door mijn professionele misstap. Ik had de strijdorde verlaten, waardoor er chaos was ontstaan en een bende gezochte politieke activisten uit de mazen van het net waren geglipt. De komende jaren moest ik niet meer rekenen op promotie.
Tijdens deze genoodzaakte onderbreking van mijn dagelijkse gesprekken met Zinovij vulde ik de ontstane leegte met overpeinzingen. Ik ontdekte talrijke fouten in het systeem, die me vroeger niet raakten of die ik als een noodzakelijk kwaad beschouwde. Ik dacht na over dingen die ik vroeger niet in vraag durfde te stellen. Ik kwam voor mijn mening uit tegen mijn collega’s, die me begonnen te mijden als de pest. Tijdens demonstraties ging ik voortaan achteraan staan om geen meppen meer te hoeven uitdelen.
Toen twee ambulanciers Zinovij eindelijk terugbrachten naar zijn appartement, van kop tot teen in het gips gewikkeld, sprong ik een gat in de lucht. Zinovij, die niemand had om voor hem te zorgen, zou mijn hulp best kunnen gebruiken.
En ik had heel wat goed te maken.
-7-
Ik vroeg een maand verlof aan de kolonel, om te kunnen zorgen voor Zinovij.
In het begin beperkte mijn hulp zich tot het voederen met lepeltje en servetje, het afvegen van lippen en wangen wanneer hij gemorst had en ondersteuning bij het pissen en schijten. Hoewel Zinovij niet kon spreken, merkte ik al gauw dat hij zich verveelde. Ik begon zijn appartement te doorzoeken naar iets waar ik hem mee kon vermaken, in afwachting van de goede gesprekken die ik met hem zou hebben. Misschien zouden we samen wel op ideeën komen om de wereld te redden of konden we iets gewaagds ondernemen!
Ik ontdekte Zinovij’s bibliotheek. Hij had boeken waarvan ik het bestaan niet eens vermoedde. Op goed geluk pikte ik een boek uit de kast en besloot Zinovy voor te lezen. Dat deed ik een aantal weken lang, tot Zinovij zich stilaan beter begon te voelen, al recht kon staan en zijn eerste woordjes zeggen, ondanks de kaakbreuk en de helft van zijn tong die hij had afgebeten.
Zinovij’s eerste woorden waren geen woorden van dankbaarheid, zoals ik misschien ergens had verwacht, alhoewel ik helemaal geen dankbaarheid behoefde.
‘I-ei-ee-a-e-sj!’ zei Zinovij, wiebelend met zijn tenen, die van onder het laken uitstaken.
Zinovij’s teennagels waren ontzettend lang. Ze krulden naar boven als de gebolde spinakkerzeilen van een vloot miniatuurzeilboten.
Met liefde zette ik me aan het werk. Ik genoot van de momenten dat ik dienstbaar kon zijn en mijn schuld kon afkopen bij dit slachtoffer van zinloos geweld.
-8-
Alhoewel mijn handen getraind waren voor andere, meer hardhandige taken, kon ik uitstekend overweg met het nagelvijltje en -knippertje.
Ik had net een boekje gelezen over Florence Nightingale en hoe zij ook plots haar roeping had gevonden en de soldaten ging genezen in de vochtige loopgraven. Misschien had ik ook een roeping?
Het was niet duidelijk of Zinovij tevreden was met zijn behandeling, maar dat was bijzaak voor mij. Daarvoor deed ik het niet. Teen- en voetverzorging leken me in het bloed te zitten. Zinovij had bovendien erg mooie voeten: klein, met fijne teentjes.
Ik had al een zwak voor tenen toen ik nog dienst deed bij die bullebakken van de oproerpolitie. Dat merkte ik telkens ik met mijn collega’s in de douchekamer stond na de trainingen of na een demonstratie. We waren dan allemaal nog dampend heet van de adrenaline en het bloed dat door onze slagaders pompte; enkel de douche bracht ons weer enigszins tot kalmte. Onder de douche bestudeerde ik de tenen van mijn collega’s. Soms richtte ik mijn blik omhoog om te kijken wat daar schuilging tussen dat bosje weerbarstig haar, maar meestal wendde ik mijn blik af van zodra ik me hiervan bewust werd. De voeten van mijn collega’s hadden allerhande vormen. Ze waren groot, klein, lang en breed. Maar allemaal waren ze knoestig en aggressief, als de boven de grond uitstekende wortels van een oude boom.
Ik legde me verder toe op de verzorging van Zinovij, die zich dat liet welgevallen.
-9-
Op een dag zei ik hem dat ik bij hem wilde blijven, ook nadat hij genezen was.
‘Het is allemaal goed wat je doet,’ antwoordde Zinovy, ‘en ik vergeef je wat je me hebt aangedaan. Het is niet jouw schuld, maar die van de maatschappij, die je zo heeft gemaakt. Maar dit kan echt niet blijven duren. Van zodra ik genezen ben, moet jij terug aan het werk, want ik wil je leven niet kapot maken. Jij hebt een vrouw die op je wacht, en op je werk zullen ze zich al afvragen waar je blijft.’
Ik probeerde Zinovij’s mening te respecteren. Van zodra hij genezen was, keerde ik terug naar mijn appartementje. Maar naar mijn werk keerde ik niet meer terug. Ik gaf mijn ontslag en kocht mezelf een mooie roze broek om dat te vieren.
Thuis werd ik echter opnieuw geplaagd door doemgedachten. ‘s Nachts had ik koortsachtige dromen van Zinovij, dromen die je enkel droomt van een vrouw. Ik droomde dat ik Zinovij streelde over zijn rug en buik en hoe ik zijn haar waste en zijn stoppelbaard zorgvuldig afschoor.
Toen het zo niet meer verder kon, belde ik aan bij Zinovij, die zich ondertussen al stukken beter voelde. Toen hij de deur opendeed, gooide ik me in zijn armen en gaf hem een zoen op de lippen.
‘Ik heb mijn ontslag ingediend vorige week,’ zei ik. ‘Ik wil niet meer werken. Ik ben niet meer de Boris van voorheen.’
‘Ik ben niet van plan om hier te blijven,’ antwoordde Zinovij. ‘Van zodra ik op de been ben, trap ik het hier af. Voor mensen zoals ik is hier geen plaats.’
Ik werd droevig van dit nieuws. ‘Ik wil je niet meer in de steek laten,’ zei ik.
Maar het land verlaten was eenvoudiger gezegd dan gedaan.
-10-
De grenzen waren afgezet met ijzeren gordijnen.
We gingen op bezoek bij een vriend van Zinovij, een oude dissident die de helft van het jaar doorbracht in het noorden van het land, met de rendiervolkeren. Hij kende elke vierkante meter van de toendra en kon ons langs de herderspaadjes het land uit loodsen.
‘Ik breng jullie tot aan de zee,’ zei hij, ‘verder moeten jullie het redden op eigen houtje.’
Zinovij en ik bereidden ons voor op onze vlucht. Samen met Zinovij deed ik gymnastiek en sport om hem in goede vorm te brengen, zodat hij de overtocht kon doorstaan. We kochten een tent, een rubberen bootje, waterdichte kleren en een hoop visconserven en uiteindelijk maakten we de grote sprong in het onbekende.
We dobberden een week rond in de Witte Zee, van de kaart gebracht door een mistbank. Ondanks mijn pogingen hem te kalmeren, verloor Zinovij de controle over zichzelf en begon hij uit angst alle kanten uit te peddelen, waardoor hij heel wat energie kwijtraakte. Op twee dagen tijd waren we door onze voorraad visconserven en energierepen heen. Zinovij werd steeds zwakker en op de vierde dag kon hij nog met moeite zijn ogen open houden. Hij rilde van de kou, en de Finse kust was nog steeds niet in zicht. Ik probeerde hem op te beuren, zong hem liedjes uit mijn kindertijd, hield hem in mijn armen zodat hij het warm zou krijgen.
‘Wie had gedacht dat ik dit allemaal nog zou meemaken,’ waren zijn laatste woorden.
-11-
Er stond een glimlach op zijn gezicht toen hij dit zei.
De volgende dag klaarde de mist op en zag ik de eerste meeuwen boven ons bootje cirkelen.

3 Reacties
“…anarchistische samenlevingsvorm met ruilhandel en nudisme…”
Ik verslikte me in mijn koffie bij het beeld dat deze zinsnede opriep. Waarvoor dank.
Zoiets maakt me dan weer trots. Dat ik de mensen op lange afstand kan doen verslikken in hun koffie!
Het is een niet te onderschatten vaardigheid.