POTLOODVENTER
Door Klaus Gena
===============
‘Juffrouw, juffrouw, kijk eens deze kant op!’ riep Pjotr Ivanovitsj naar een schoolmeisje van een achttal jaar met twee vlechtjes met witte strikjes in een blauw uniformpje en met een roze lichtgevende boekentas op haar rug. Het meisje keek om, want achtjarige meisjes zijn altijd nieuwsgierig. Haar mond vertrok in een angstvallige grimas, het leek of haar mond plots was stilgevallen bij het kauwen van het chocolaatje dat ze net had gekregen voor haar eerste schooldag. Pjotr Ivanovitsj schoot in de lach. ‘Vind je hem mooi?’ vroeg hij, de panden van zijn regenjas wijd open houdend, zodat ze een mooi zicht kreeg op zijn stijve paarse penis.
Halsoverkop sloeg het meisje op de vlucht. Haar boekentas wipte angstig op en neer op haar rug.
Pjotr Ivanovitsj sloot met een glimlach zijn regenjas. Een deuntje fluitend wandelde hij op het grindpaadje in de richting van de hoofdallee van het Koltsovpark. Zijn dag was goed begonnen.
Pjotr Ivanovitsj naderde de fontein die in het midden van het park stond en waar bankjes rond stonden en wilde zich nestelen voor de rest van de dag op het bankje en genieten van het zonnetje dat zou schijnen in zijn aangezicht. Voor vandaag was het genoeg geweest, had hij besloten. Lang zou hij op dit bankje niet blijven zitten. Pjotr Ivanovitsj was een voorzichtig man. Hij zou het nooit riskeren om meer dan drie keer per week de meisjes en de vrouwen in het park aan het schrikken te brengen.
-2-
Hij wilde niet opgepakt worden, of in elkaar geslagen door een beledigde echtgenoot die per se de eer van zijn vrouw dacht te moeten verdedigen. Dat had hij allemaal al achter de rug. De politie van de Kominternwijk, waar het Kominternpark lag dat iets groter was en waar meer scholen rond lagen, kende hem al en hadden hem al enkele weken in het cachot gestoken voor zedenfeiten. Daar kon hij al niet meer heen. Spijtig, want dat park lag hem beter dan het Koltsovpark. Hier moest hij op zijn tellen letten. Vandaag was het hier zijn eerste dag en hij wilde het niet verkloten. Hij wilde zeker niet dat dat meisje nu huilend met haar moeder naar het park terug zou komen en hem met de vinger zou wijzen, net nu het zonnetje zo aangenaam op zijn kale schedel scheen en hij zich zodanig ontspannen voelde dat hij wel een dutje leek te kunnen doen. Moeders waren erger dan echtgenoten. Hij had er eens één achter hem gehad met een keukenmes, krijsend dat ze zijn lul eraf zou snijden en voederen aan de raven. Na dat voorval was hij wel een beetje stil geweest. En een paar dagen later werd hij opgepakt door de flikken in het Kominternpark. Sindsdien had hij zijn activiteiten verplaatst naar het Koltsovpark, en hij vond het hier wel een leuk plekje. Het was alleen maar aan de kleine kant.
-3-
Maar anderzijds had het veel uitgangen en kon hij steeds een kant uit, mocht de grond te heet worden onder de voeten.
Hij keek met een bevredigd gevoeld naar de mensen die liepen door het parkje, naar de mensjes die verdiept waren in hun zielige leventjes, de mannetjes in zwarte kostuumpjes die zich haastten door het park om contractjes te doen ondertekenen of aanvragen in te dienen bij allerlei officiële instellingen om hun kleinzielige zaakjes te regelen. Man, wat voelde hij zich goed! Hij keek zelf met een zekere welwillendheid naar de zwangere vrouw met de kinderwagen die vanuit het smalle paadje tegenover hem, dat kwam van de kinderspeelhoek, in de richting van de fontein kwam gerend. Zij rende wel snel voor een zwangere vrouw, bedacht Pjotr Ivanovitsj, nu hij er meer aandacht aan begon te besteden, aan haar grote borsten die ongecontroleerd op en neer wipten, haar grote angstige ogen en de kinderwagen die opsprong op de onregelmatige geërodeerde betonnen tegels van het paadje. Haar mond was open, maar er leek geen geluid uit te komen. Pjotr Ivanovitsj zette zich iets rechter en zag hoe er achter haar een man aanrende in een lange regenjas, die riep, met duidelijke ironie in de stem: ‘Waarom loopt u toch van me weg, mevrouw?’ Aan het einde van het pad hield de man halt en rende de dame verder over de hoofdallee van het Koltsovpark, zonder om te kijken. Enkele wandelaars draaiden zich verwonderd om naar de vrouw. Enkel Pjotr Ivanovitsj had gezien dat zij achterna werd gezeten door een vent in een regenjas, een vent die nu recht naar hem stond te kijken, met blauwe fonkelende ogen die volgens Pjotr Ivanovitsj wel een klein beetje gekte verrieden, zoveel mensenkennis had hij nu ook wel.
-4-
Met een zwaai deed de man zijn regenjas open en stak zijn tong uit naar Pjotr Ivanovitsj. Ja, in zijn ogen stond zeker gekte af te lezen, dacht Pjotr Ivanovitsj en keek met afgrijzen naar de man zijn indrukwekkende orgaan, dat stijf stond als een strijkplank.
‘Doe die jas dicht!’ zei Pjotr Ivanovitsj met afgrijzen in de stem, zette zich recht en haalde zijn piet even tevoorschijn vanonder zijn jas.
Het gezicht van de man veranderde in een glimlach. ‘Ha, confrater,’ zei hij, op Pjotr Ivanovitsj afstappend om hem de hand te schudden, maar Pjotr Ivanovitsj gaf zijn hand niet. ‘Wat denk jij wel dat je doet?’ siste hij en troonde de man bij de elleboog verder, een klein paadje in. ‘Doe je jas dicht, in godsnaam, of je krijgt een pak slaag van mij!’
‘Nu breng je me aan het schrikken,’ zei de man. Pjotr Ivanovitsj gaf hem een schop onder zijn kont en de man vloog een paar meter vooruit. ‘Auw!’ zei de man.
‘Hoe heet jij?’ vroeg Pjotr Ivanovitsj.
‘Jevgeni, maar jij mag me Zjenja noemen’, zei de man.
‘Laten wij duidelijk zijn, Jevgeni’ zei Pjotr Ivanovitsj, ‘dit parkje is te klein voor ons beiden.’
Jevgeni nam Pjotr Ivanovitsj’ jas beet. ‘Wij dragen dezelfde regenjas!’ riep hij uit. ‘Gekocht op de hoek van de Poesjkinstraat en de Engelsstraat? Nu herinner ik me jou,’ zei Jevgeni, ‘jij stond achter me in de rij!’
‘Eén van ons is hier teveel, en dat ben jij, voor alle duidelijkheid.
-5-
Ga naar het parkje naast bioscoop Spartak,’ zei Pjotr Ivanovitsj ‘daar loopt ook veel volk rond, meer van je soort, en laat me hier met rust.’
‘Laten we het anders doen,’ zei Jevgeni, ‘jij neemt de kant van het park met het sjasjlikkraam en het standbeeld, en ik die van de kinderspeeltuin en de school.’
Pjotr Ivanovitsj liep helemaal rood aan van een dergelijke arrogantie.
‘Ik? De kant van het sjasjlikkraam en het standbeeld? Daar zitten alleen maar zuipschuiten en ander gespuis op de bankjes! Dat komt me de les hier spellen! Ga jij daar maar staan als je dat bevalt, zodat één van die psychopaten je lul er meteen afsnijdt.’
‘Laten we er een wedstrijd om houden,’ zei Jevgeni, `Wie wint mag aan de speeltuin gaan staan.’
‘Waarom zou ik mee willen doen aan een wedstrijd?’ vroeg Pjotr Ivanovitsj.
‘Omdat ik hier anders elke dag in het midden van het park met mijn piet zal komen zwaaien, tot er aan alle ingangen van het park een politiepatrouille staat’, zei Jevgeni. ‘Of denk je dat ik dat niet durf?’
‘Laat eens horen over dat wedstrijdje van jou,’ zei Pjotr Ivanovitsj schoorvoetend.
‘Drie proeven! Eerste etappe om het langst met gezakte broek, bij wijze van spreken natuurlijk, aan het Koltsovstandbeeld staan.’
‘Wat? Dat is zelfmoord!’ riep Pjotr Ivanovitsj uit. ‘Daar hangen alleen maar drugsverslaafden rond, dat heb ik je al gezegd, je loopt er over straat en onder je voeten kraakt het van de spuiten! En dat is geen publiek bovendien. Absoluut geen dankbaarheid, alleen gevaarlijk.
-6-
Je kan me evengoed in een gracht met krokodillen gooien!’
‘Als je denkt dat dat gevaarlijk is, dan wil ik wel als eerste zijn.’
‘En wie gaat de tijd meten? Hoe weet ik dat je me niet bij de neus neemt?’
‘Van op het standbeeld is in de verte de toren van de universiteit te zien met zijn klok. Daar kunnen we alle twee de tijd op volgen, zonder vals spelen.’
Jevgeni stond aan het standbeeld van Koltsov, de grote Russische romantische dichter die zijn laatste dagen in armoede had gesleten en er aan was gegaan door de tering. Als bij wonder was er heel die tijd niemand die het standbeeld passeerde, en Pjotr Ivanovitsj voelde zich zenuwachtig worden. Er waren al bijna vijf minuten voorbij en het was doodstil. Natuurlijk was het nog vroeg voor de drugsverslaafden. Het was nog maar net elf uur. Die lagen waarschijnlijk nog allemaal te ronken. Eindelijk, er waren zes minuten voorbij, zag Pjotr Ivanovitsj hoe Jevgeni haastig zijn broek optrok. Pjotr Ivanovitsj keek om en zag hoe uit het paadje twee joggers kwamen aangerend.
‘Goedemiddag’, riepen de joggers naar Jevgeni en Pjotr Ivanovitsj en ze waren voort.
‘Goedemiddag,’ antwoordden Pjotr Ivanovitsj en Jevgeni. Joggers op een middag, dat was raar. ‘En? 6 minuten’, zei Jevgeni. ‘Probeer dat maar eens te verbeteren.’
Ja, dat leek ook Pjotr Ivanovitsj een onmogelijke opdracht. Wat had die klootzak toch geluk gehad: zes minuten zonder ook maar één voorbijganger. Met de moed in zijn schoenen zette hij zich voor het Koltsovstandbeeld..
-7-
De Russische dichter leek hem aan te kijken met iets dat leek op een minachtende glimlach. ‘Waar ben jij eigenlijk mee bezig?’ leek die wel te vragen. Ja, dacht Pjotr Ivanovitsj, dat zal je meteen zien, dacht hij en hij opende de regenjas die hij gekocht had op de hoek van de Poesjkinstraat en de Engelsstraat en waar hij anderhalve dag voor in de rij had gestaan. Hij zette zijn handen in de zij en keek naar zijn lange penis – die er maar lusteloos bij hing – en keek naar de wormen en de insecten die zonder twijfel hun onderkomen hadden gevonden tussen de stenen van het postament voor de romantische poëet.
‘Neen, zo gaat dat niet,’ riep Jevgeni vervolgens, ‘naar omhoog met dat ding! Dat is niet volgens de regels.’ Pjotr Ivanovitsj haalde de schouders op en werkte met zijn rechterhand tot zijn vlaggenstok weer naar het terrasje van het sjasjlikkraam wees, dat gelukkig veraf was en waar nog geen volk was op dit ochtenduur. Pjotr Ivanovitsj zag enkel hoe de kuisvrouw met een emmertje sop de plastic stoelen afsponste, en hoe er stilaan een wolkje rook uit de blinkende metalen schoorsteen kwam. De caféhouder, een Azerbeidzjaan die zich steeds misrekende in eigen voordeel, was zijn vuurtje aan het klaarmaken voor de eerste klanten van zijn twijfelachtige productie. Pjotr Ivanovitsj tuurde angstvallig naar de klok van de universiteit.
-8-
Er waren vier minuten voorbijgetikt.
‘En, komt er niemand af daarachter?’ vroeg hij.
‘Waarom, ben je bang?’ vroeg Jevgeni.
‘Dit is het kindertuintje niet,’ zei Pjotr Ivanovitsj, ‘de kans dat hier een meisje voorbijloopt of een moeder met een kinderwagentje is vrij theoretisch. Als er dus iemand afkomt, dan moet dat een man zijn, één die er niet voor terugdeinst zich te begeven in dit ongure gedeelte van dit park.’
‘Iemand zwaargebouwd, met een pitbull en een leren jekker?’ vroeg Jevgeni. ‘Iemand die zijn hond op je loslaat vanaf hij je in het vizier krijgt?’
‘Je moet me niet de stuipen op het lijf jagen.’ Pjotr Ivanovitsj keek gespannen naar de klok. Vijf minuten waren voorbij. ‘Ik maak je helemaal geen blaasjes wijs’, zei Jevgeni.
Jevgeni had dit nog maar net gezegd, of Pjotr Ivanovitsj hoorde geblaf achter zich dat snel naderde. Hij keek kom en zag hoe een pitbull op hem af rende, met schuim in slierten van zijn muil spattend. Hij keek angstvallig naar de klok van de universiteit. Nog steeds geen zes minuten. Hij keek nog eens naar de hond, die zich al klaar maakte voor de laatste rechte lijn, deed zijn regenjas dicht en zette het op een rennen.
Hij rende als een gek. De panden van zijn regenjas flapperden wild op en neer. Van het paadje draaide hij het bos in. De takken van de struiken zwiepten in zijn gezicht. Wat een rotstreek van die Jevgeni, schoot het door Pjotr Ivanovitsj’ hoofd. Van je collega’s moet je het hebben. Ik zal hem een poepje laten ruiken, de klootzak.
Pjotr Ivanovitsj had zich verscholen in één van de donkere ingangen van een woningblok aan de rand van het park. Zijn regenjas hing helemaal aan flarden en hij kon geen stap zetten of heel zijn kont was bloot.
-9-
Hij was ook een schoen verloren om aan de hond te kunnen ontsnappen en had zich achter geparkeerde wagens verborgen om ongemerkt tot aan het huis te kunnen sluipen en zijn wonden te likken in de donkere, door katten, daklozen en alcoholici ondergezeikte ingang. Nu probeerde hij met enkele stukjes ijzerdraad, die hij op de kop had getikt de scheuren in zijn jas bij elkaar te binden. Dat zou hij die Jevgeni betaald zetten.
’1-0′, grinnikte Jevgeni, `Ik heb nog nooit zo gelachen, Je had je moeten zien lopen. Heb jij nog aan atletiek gedaan in je jongen jaren?’
‘Loop naar de hel. Ik doe niet meer mee aan die rotwedstrijden van jou. Rot op uit mijn park. Er is plaats genoeg hiernaast, bij Cinema Spartak,’ zei Pjotr Ivanovitsj, die er de buik van vol had.
‘Neen, hoor,’ zei Jevgeni, `ik wil ook wel de dametjes en de schoolmeisjes. Die flikkers naast de bioscoop, die winden me niet op. ‘De volgende opdracht mag jij verzinnen.’
Nu kreeg Pjotr Ivanovitsj een goed idee. Hier had hij zelf al steeds van gedroomd, maar het risico had hem te groot geleken.
‘Zie je daar die vrouw lopen?’ vroeg hij, wijzend naar een groepje kleuters dat mooi op een rijtje achter een kinderjuf aanwaggelde. Pjotr Ivanovitsj doelde op de juf. Het was een strenge oudere dame, die er zeer respectvol uitzag en ontzag inboezemde, zelfs bij Pjotr Ivanovitsj.
-10-
Hij had haar al veel keer zijn pik willen tonen, maar telkens hij haar benaderde en zijn regenjas wilde opengooien, keek ze hem aan met zo een bliksemende blik, dat hij meteen rechtsomkeert maakte. Er was iets in die vrouw dat hem totaal machteloos maakte, onweerbaar en murw als een slak.
‘Ik zie dat oude wijf,’ zei Jevgeni, ‘en dan?’
‘Dat is geen oud wijf,’ zei Pjotr Ivanovitsj verontwaardigd, ‘dat is een vrouw! Een dame! Ik wil dat je haar rok en haar broekje aftrekt wanneer ze midden in de hoofdallee staat aan de fontein, waar het meeste volk rondloopt.’
‘Is dat alles?’ vroeg Jevgeni en hij holde weg, de juf met haar kindjes achterna. Nu en dan verborg hij zich achter een lantaarnpaal of zette hij zich op een bankje om de aandacht niet op te wekken. Pjotr Ivanovitsj ging hem op een afstand achterna. Aan het fonteintje gekomen, stelde Pjotr Ivanovitsj zich strategisch op achter een struik, zodanig dat hij een goed overzicht had, maar tegelijkertijd aan het zich was onttrokken. Op dit moment had hij lang gewacht. Als toeschouwer leek het hem minstens even opwindend dan als uitvoerder. Alhoewel hij eraan twijfelde dat Jevgeni genoeg kloten aan zijn lijf zou hebben om het plan ook uit te voeren. Mar alleen de gedachte dat het theoretisch mogelijk was, was voor Pjotr Ivanovitsj eigenlijk al voldoende. Die Jevgeni was gewoon een ventje met een grote smoel, meer niet.
De kleuterjuf hield stil aan het fonteintje en de kleuters haalden hun schepjes en emmertjes boven om te peuteren in de plantsoentjes en wormen te verzamelen, terwijl zij zich zou neerzetten om een boekje te lezen op het bankje en haar minnaar haar avances kwam maken.
-11-
Dat had hij niet verteld aan Jevgeni: dat er nog een man in het spel was. Pjotr Ivanovitsj zag de man al afkomen vanuit de rechterhoek van het park, met twee anjers in een krantje gewikkeld. Dat was een wekelijks ritueel. De juf had zich ook nog niet op het bankje genesteld, ze bukte zich net om haar sonnetten van Shakespeare uit haar handtas te halen, toen Jevgeni toesloeg.
Jevgeni was er plots, als een duivel uit een doosje leek hij te verschijnen van achter de fontein plaatste hij zich ongemerkt achter de kinderjuf en trok met een ruk jaar jurk, tezamen met slipje en dubbel paar panties – de juf was een koukleum – naar beneden, waarna hij zijn regenjas uittrok en er mee boven zijn hoofd begon te zwaaien. Nu zou de geheime aanbidder moeten aankomen om zijn liefde te verdedigen, de achtervolging in te zetten en Jevgeni een pak slaag van jewelste te geven, daar had Pjotr Ivanovitsj toch op gerekend, dat Jevgeni daar ‘zijn broek’ aan zou scheuren. Maar Jevgeni had weer geluk, net zoals daarnet. De geheime aanbidder had naar het spektakel staan kijken als een ordinaire nieuwsgierige, en toen de kinderjuf met haar beangstigde ogen in de nieuwsgierige menigte zocht naar die van haar aanbidder, zag Pjotr Ivanovitsj hoe deze zijn anjers gauw de grond op liet vallen en verdween tussen de wandelaars.
-12-
Jevgeni was al verdwenen in de struiken.
‘En Pjotr Ivanovitsj, 2-0!’ zei Jevgeni toen ze elkaar even later ontmoetten op hun geheime verzamelplaats achter de kastanjeboom naast het kinderspeeltuintje en de zandbakken.
‘Nu is het mijn beurt om een opdracht te verzinnen,’ zei Jevgeni.
Pjotr Ivanovitsj reageerde niet. Hij was afwezig. Die Jevgeni werd een echte stok in zijn keel. Hij zou die wedstrijd verliezen, want die Jevgeni had stukken meer lef dan hij.
‘Je bent zo stil, Pjotr Ivanovitsj?’ vroeg Jevgeni. ‘Ben je aan het denken waar je straks de jonge meisjes mee de stuipen op het lijf kan jagen?’
Pjotr Ivanovitsj zweeg. Hij had er genoeg van.
‘Je mag het hebben, dat parkje,’ zei Pjotr Ivanovitsj, ‘ik ga wel op een ander.’ En hij draaide zich om, Jevgeni verwonderd achterlatend.
Eenmaal op straat gekomen, ging Pjotr Ivanovitsj op zoek naar een telefooncabine.
Hij belde naar de politie.
`Er loopt een exhibitionist rond in het Koltsovpark’, zei hij en legde de hoorn op de haak.
Hij ging naar huis. Morgen zou hij weer aan de slag kunnen gaan, zonder die rotte Jevgeni. Die zou vandaag opgepakt worden en morgen misschien vertellen aan de politie dat er nog een potloodventer rondliep in het Koltsovpark, maar wie zou hem geloven? Het hele park had gezien hoe hij de kinderjuf in haar blootje had gezet.
Hij viel bevredigd in slaap.
-13-
Hopelijk was het morgen minder stresserend.

8 Reacties
Uiterst vermakelijk!
Dankjewel, mijn vriend. Ik ben blij dat je het niet droevig vond!
Ik had associaties met een duel uit een Western. Fijn. En knap dat je me als lezer liet hopen dat Pjotr een beetje rustig zijn potlood zou kunnen venten, dat hij ook recht had op een krijsende dame, zo nu en dan.
Beste Mies,
Bedankt voor deze diepgaande analyse!
“met twee anjers in een krantje gewikkeld.”
Nooit 2 anjers, want in Rusland en Oekraine altijd een ONeven aantal bloemen. Verder geweldig, bedankt!
Groeten,
Jac.
Hoe had ik de russische приметы nu kunnen vergeten! Gelukkig is zo een cijfertje snel aangepast.
Bedankt voor de opmerking!
Plezant verteld en hoop dat het geen autobiografie is?
Neen, papa!