En hier is de hele zwik, goed voor een equivalent van 166 Twitterboodschappen:
‘Was me dat een hartelijke ontvangst,’ zei geoloog Joost De Bruyckere, toen hij zijn paspoort terug in zijn buiktasje opborg. Hij was net aangekomen in Moskou en stond te wachten tot zijn koffer van de band rolde in luchthaven Sjeremetjevo 2. Hij had zijn vrouw Hannah aan de telefoon om te zeggen dat hij goed was aangekomen. ‘Ik heb het nog nooit zo in mijn broek gedaan tijdens een paspoortcontrole. Die agent keek me aan alsof ik vijf condooms met cocaïne had ingeslikt’, zei Joost. Hij bestudeerde het plafond, dat beplakt was met door de jaren heen gedeukte koperen cirkels. ‘Net gerecycleerde conserven,’ dacht hij. ‘… Deze zomer met jou en de kinderen in Tunesië vond ik al randje boordje met die corruptie en dat onsmakelijke eten, maar dat was Afrika, verdorie. Rusland, dat is toch Europa? Althans voor de helft … Je zou die luchthaven eens moeten zien. Ik lijk wel in een teletijdmachine beland!’ Zijn koffer, een rode Samsonite die hij geleend had van zijn schoonmoeder en volgeplakt was met stickers van touroperators en cruiserederijen, kwam zijn kant op gerold. Hij pakte hem beet met één hand en zette hem op wieltjes terwijl hij verder praatte met zijn vrouw. ‘Ja, ze zijn geen lid van de Europese Unie, dat is waar …’ Hij rolde de koffer richting douane, ongemakkelijk stappend op zijn nieuwe wandelschoenen. ‘… maar dankzij die kerels heb ik toch mooi een carport kunnen bouwen … en eindelijk raken we van die oude salonmeubels af …’ De douanier maakte vermoeid teken dat er een papiertje mankeerde. ‘… nog even op de tanden bijten, juist … schat, ik moet je laten, de douane maakt problemen … tot binnen een weekje! Kusje.’ Joost stak zijn gsm in één van de steekzakken van de broek die hij had gekocht in een campeerwinkel en krabde aan zijn achterwerk. ‘Dat jeukt als de hel, dat thermische ondergoed,’ dacht hij. ‘Hoe die Russen dat kunnen dragen, ik zou het bij god niet weten.’ Hij keerde terug van waar hij gekomen was en zette zich aan het formulier in te vullen. ‘Het doel van mijn reis? Wat moet ik hier invullen? Olievelden in kaart zetten?’ dacht hij. ‘Bestemming: Tjoemen. Op Google Earth leek dat stadje niet veel zaaks,’ herinnerde Joost zich, ‘rijen huisjes van hooguit drie verdiepingen, omringd door oranjebruine toendra en hier en daar wat dennenstoppels. Enkel van de stedelijke kerncentrale was een driedimensioneel model beschikbaar. Dat belooft.’ Hij vulde de rest van het formulier in en begaf zich naar de aankomstzaal.
Hij werd meteen aangeklampt door allerlei ongure types met een slechte adem, die in zijn oren toeterden: ‘Taxi? Niet duur!’ Hij probeerde langs de tronies heen te kijken, op zoek naar een bordje met zijn naam op. Het bedrijf had hem gisteren meegedeeld dat hij door een chauffeur zou worden opgehaald. Maar van een bordje met zijn naam was geen spoor. Er waren wel bordjes voor een zekere Michel Dubois, die werkte voor een farmaceutisch bedrijf, een bordje met het logo van Shell voor Mr. Neil Anderson en eentje voor de gasten van het Marriot-hotel. Hij keek op zijn horloge. Drie uur Belgische tijd. ‘Vijf uur in Moskou dus,’ dacht Joost. ‘Het heeft geen zin om Svetlana te bellen en te vragen waar die chauffeur blijft.’ Hij blikte de zaal rond en zuchtte. ‘Laten we onszelf dan maar voor de leeuwen gooien.’
Joost monsterde het zootje taxichauffeurs, dat zich als een roedel wolven stortte op elke passagier die de bagageruimte verliet. Hij liet zijn keuze vallen op volgens hem het minst gevaarlijke type van de bende was, een klein en mager ventje met een zwarte pet, een te grote leren vest en een joekel van een haakneus, dat nerveus stond te roken in een hoekje, ver van de rest.
Joost sprak af met het ventje en ze gingen naar de parking. ‘Met wat voor een bak rijd jij?’ vroeg Joost, toen de chauffeur hem tot zijn wagen had gebracht, ‘raken we daarmee tot in Moskou?’
‘Een auto is een auto,’ zei de kerel kortaf.
De auto, van Russische makelij, leek niet al te oud te zijn. Toch zat hij al onder de deuken, was er één koplamp die niet werkte en leek heel de onderkant doorgeroest. Wanneer het ventje de sleutel omdraaide in het contact, leek de auto even te hoesten. Bij een tweede poging schoot het ding aan het huilen en schokte de wagen een meter vooruit. Enkel bij de derde poging begon de wagen te rijden, zij het tergend langzaam.
‘Gaan we zo de hele weg rijden?’ vroeg Joost, die elke oneffenheid van de weg voelde in zijn achterwerk en zich verwonderde over de eigenschap van Russische wagens om tergend traag over de weg te kruipen en je toch door elkaar te schudden als een ijsblokje in een cocktailshaker.
‘We geraken er wel,’ stelde de chauffeur hem gerust, ‘dit wagentje is zo goed als nieuw, een vinnig ding … de motor moet nog wat opwarmen, maar van zodra die warm loopt, is er geen houden meer aan. De chauffeur duwde ter illustratie op de gaspedaal, maar hierdoor leek de motor te stokken.
Toen ze de luchthaven achter zich lieten, was het nog donker. Rechts van Joost strekten zich bossen uit, met hier en daar de witte stammen van zilverberken met plekjes sneeuw op de toppen. De baan was leeg en er was nog geen kat op de weg. Hier was hij dan, in het oneindige, angstaanjagende Rusland. Aan de linkerkant zag hij in de verte enkele houten huizen van het type dat hij kende uit documentaires, huizen van oude oma’s die ‘s winters de straat op moesten om water te halen aan de enige handbediende pomp in het dorp, maar de huizen leken hem niet echt bewoond. Hij zou er alleszins niet in willen wonen. Hij keek voor zich uit, naar de achteruitkijkspiegel van de chauffeur, waaraan een ikoontje bengelde. Hij ving een glimp op van diens gelaat, dat er nors en onuitgeslapen uitzag. Naast het gebrom van de motor en het zoemende autokacheltje leek het stil en eenzaam buiten.
‘Het lijkt wel of we ergens ver op de boerenbuiten zijn,’ dacht Joost, en hij trok de muts, die zijn vrouw hem voor de gelegenheid had gebreid, wat dieper over zijn oren, want zo goed werkte dat kacheltje toch niet,’ er is hier geen kat. We kunnen hier zo overvallen worden. Niemand die er iets van te weten komt, zelfs al beginnen ze te schieten … En die chauffeur … Achteraf bekeken is dat toch maar een onguur stuk vreten. Wat verbergt die niet allemaal achter zijn leren jekker of in zijn handschoenkastje? Hij is trouwens nerveus. Sinds we zijn vertrokken, heeft hij er al vijf sigaretten doorgejaagd … Waarschijnlijk is hij snel van reactie. Voor ik het weet, heb ik een mes tegen de keel.’ Joost keek nog eens angstvallig in de spiegel. ‘Die haakneus, waarom heb ik die niet eerder opgemerkt? Hebben alle terroristen hier geen haakneus?’
‘He, vriend,’ vroeg Joost, ‘hoe heet jij?’
‘Ik? Zoerab.’
‘Zoerab? Is dat een Tsjetsjeense naam?’
‘Neen, Georgisch,’ antwoordde de chauffeur.
‘Stalin was een Georgiër,’ schoot het Joost te binnen. ‘En, Zoerab? Is het hier niet gevaarlijk?’ vroeg hij. ‘Worden hier geen gevaarlijke streken uitgehaald?’
‘Neen, hoor, het is hier godzijdank rustig. Wie zou hier trouwens streken uithalen?’
‘Dat is goed, dat ze hier geen streken uithalen. Voor alle zekerheid heb ik altijd een electroshocker op zak, 10.000 volt. Je kan er zelfs een rund mee neerleggen,’ loog Joost.
Het leek maar niet licht te worden. Plots sloeg de chauffeur met zijn rammelende wagen een zijstraat in, die nog slechter was verlicht dan de toch vrij brede baan voorheen en vol gaten en kuilen zat.
‘Waar voert hij me nu naartoe?’ vroeg Joost zich af. ‘Eerst reed hij de hele tijd rechtdoor en nu naar links. Die kloot voert me nog ergens naartoe, naar één van die ongure slaapwijken met uitgebrande autowrakken en junkies in de ingangen van de appartementsblokken en … je hoort er vanalles over, over hoe gevaarlijk het niet is in Moskou, wat gebeurt hier niet allemaal?’
‘Luister,’ richtte hij zich tot de chauffeur, ‘jij zegt dat het hier niet gevaarlijk is? Spijtig … Ik hou wel van een goede knokpartij … Ik zie er natuurlijk mager uit, maar ik ben sterk als een trekpaard … Ik werd eens aangevallen door een bende jonge Marokkanen in Anderlecht toen ik ‘s nachts geld uit de muur wilde halen. Eén van hen heb ik zodanig toegetakeld dat ze meteen een lijkenwagen konden sturen. De twee andere waren gezochte criminelen, ik heb er van de politie een medaille voor gekregen. Hoe ik aan zoveel kracht kom, ik weet het zelf niet. Een kereltje als jij pak ik zo beet en ik breek je in twee als een lucifer.’
Zoerab keek in zijn achteruitkijkspiegel met een bleek gezicht, maakte een kruisteken en duwde de gaspedaal in tot die niet meer verder kon.
‘Ja vriend,’ vervolgde de geoloog, ‘met mij zoek je beter geen problemen. Ik ruk niet alleen armen en benen af van eender welke bandiet, ik laat ‘m ook nog eens achter slot en grendel steken voor de rest van zijn dagen … Ik ken hier een hoop hoge pieten, ik zit in de oliesector weet je wel, en daar hoeven ze maar aan een touwtje te trekken … Ik ben niet de eerste de beste, ik vind oliebronnen met mijn ogen dicht, van op de bodem van de Baltische zee tot op een gletsjer in de Elbroes. Ze verzorgen me hier tot in de puntjes. Moest mij iets overkomen, dan is het een nationaal drama. Ik ben een soort Guust Hiddink, maar dan achter de schermen. Ik werk voor de toekomst van je vaderland. Elke agent op onze route is verwittigd van mijn komst … Hé! Waar voer jij me heen, man?’ vroeg Joost verschrikt.
‘Ziet u dat dan niet? Wij rijden door Chimki, dat is een kortere weg dan via de Leningradskoje Sjosse!’
‘Och ja, Chimki, kortere weg. Zal wel’, dacht Joost. ‘Ik heb me even laten gaan. Dat had ik niet moeten doen, zo mijn paniek tonen … Hij heeft al gemerkt dat ik met de schrik zit. Waarom kijkt hij plots zo vaak in zijn achteruitkijkspiegel? Die zit plannen te maken … Daarnet reed hij met moeite 50 km per uur, en nu raast hij als een gek!’
‘Zeg eens, Zoerab, vanwaar die haast? Rijd jij altijd zo snel?’
‘Ik heb u toch gezegd dat dit een vinnig bakje is. Als de motor opgewarmd is, hoef je de gaspedaal maar aan te raken om vooruit te schieten als een Mercedes.’
‘Je liegt, man. Ik zie dat je liegt. Ik raad je aan niet zo snel te rijden. Haal je voet van die gaspedaal … Hoor je? Haal die voet eraf!’
‘Waarom?’
‘Omdat er nog een jeep is die mij moest afhalen aan het vliegveld. Ze zijn waarschijnlijk nu onderweg. Ik heb ze gebeld voor we in de auto stapten, Ze zouden ons voordat we de stad binnenreden inhalen. Met hen zal het plezanter rijden zijn. Eén van hen is een Afghanistanveteraan. Die gaat zelfs naar bed met zijn Kalasjnikov … Waarom kijk jij de hele tijd in die achteruitkijkspiegel? Let eens op de baan! Aan mij is niks te zien … helemaal niks … buiten mijn machete misschien … Als je wil, haal ik ze boven … Kan je eens een kijkje nemen, hier …’
Joost deed alsof hij in zijn zakken zocht, en op dat moment gebeurde wat hij in al zijn lafheid nooit had kunnen verwachten. Met gierende banden zette Zoerab de auto aan de kant en vluchtte hij op handen en voeten de straat op. Gebukt rende hij de weg over en verdween ergens achter één van de appartementsblokken.
‘Help!’ riep hij. ‘Help! Pak mijn auto als je wil, maar laat mij in leven! Help!’
Alles was ineens stil, op het zachte gebrom van de auto na. Er was nog niemand wakker. Joost legde de motor stil en strekte even de benen op straat. Een dergelijke wending had hij niet verwacht. Hier moest hij even over nadenken.
‘Die onnozelaar is weggelopen … wat nu? Zelf verderrijden kan ik niet, want ik ken hier de weg niet, de politie zou mij trouwens kunnen tegenhouden en denken dat ik die wagen heb gestolen. Shit!’
‘Zoerab! Zoerab!’
‘Zoerab’ klonk de echo.
Alleen al de gedachte dat hij hier in deze ongure buurt nog enkele uren in de kou zou moeten zitten en luisteren naar het geblaf van de roedels hondsdolle straathonden en het gekraak van de walkie-talkie in Zoerabs wagen, bezorgde Joost kippenvel. Hij deed het bijna in zijn broek van de schrik.
‘Zoerabje!’ riep hij. ‘Mijn vriend! Waar ben je, Zoerabje?’
Een heel uur lang stond hij zo te roepen, en enkel nadat zijn stem helemaal hees was en hij zich had verzoend met de gedachte te voet naar Moskou terug te moeten keren, hoorde hij ergens niet ver weg een klaaglijke zucht.
‘Zoerab! Ben jij dat, mijn jongen? Komaan!’
‘Jij gaat me doodmaken!’
‘Ik heb toch gewoon een grapje gemaakt, man? Welke elektroshocker of machete kan ik nu bij hebben? Van de angst begon ik zo te liegen! Doe me een plezier. Zet je in de auto en voer me naar mijn hotel. Ik heb het koud!’
Zoerab, die waarschijnlijk al door had dat een echte dief er al lang met zijn auto vandoor zou zijn gegaan, kwam aarzelend vanachter een transformatorhuisje aan de overkant van de straat tevoorschijn en schreed om zich heen kijkend de auto tegemoet.
‘Wat is me dat nu, onnozelaar? Was jij nu bang geworden? Ik … ik maak een grapje en jij wordt er bang van? Zet je dan!’
‘Dat moet je me geen twee keer lappen,’ bromde Zoerab, terwijl hij de auto inkroop. ‘Had ik dat geweten, ik had je voor geen duizend dollar meegenomen. Me zo de schrik op het lijf jagen …’ Zoerab stak zijn auto in gang. De wagen begon te trillen en te rammelen. Hij zette hem nog eens in gang, en er weerklonk en gehuil. Enkel na de derde poging bleef de motor draaien en reden ze weg.