Niemand in heel de wereld die weet hoe zakkig het is om te wonen in Biroeljovo, dacht Sergej en keek uit het mistroostige raam, bespikkeld met verse regendruppels, naar de blinkende natte straten beneden. Het was net opgehouden met schemeren en een wind vol regen kletterde tegen het raam en deed de spullen op het balkon rammelen.
Sergej liet zijn voorhoofd rusten tegen het venster. Anderhalf uur rijden van het centrum. Geen metro. Enkel blokken. Blokken en nog meer blokken. Legoland. ‘Blokken vol crapuul, kakkerlakken en ratten,’ had zijn vader steeds gezegd. De lafaard.
Hier en daar waren auto’s aan het parkeren. Sergejs raam keek uit op de enorme atriumvormige koer, dertien verdiepingen lager, waar auto’s geparkeerd stonden rond een aftands speeltuintje, met een roestige schommel en een zandbak waar de katten in kwamen schijten. De koer was aan vier kanten ingesloten door zestien verdiepingen hoge appartementsblokken uit vaalgrijze betonnen panelen. In de appartementen brandde ondertussen licht: het was een zaterdagavond en de mensen zaten achter de televisie te kijken naar één of andere domme show, ze zaten te eten en te drinken of lagen in bad.
Sergej droeg nog het domme zwarte hemdje en de broek die zijn moeder een jaar geleden voor hem had gekocht, ter gelegenheid van zijn vaders begrafenis. Vandaag waren ze naar het kerkhof geweest, om de eerste verjaardag van zijn dood te herdenken. Een belachelijke bedoening. Zijn vader lag niet eens op dat kerkhof, hij had immers ooit eens laten weten gecremeerd te willen worden. Of was cremeren goedkoper? Wilden ze hem als zelfmoordenaar geen begrafenis geven? Hij herinnerde dat zich niet al te best. Ze hadden het as toen gewoon uitgestrooid op het grasveldje voor het crematorium. Er stond toen nog geen gras op, natuurlijk, op dat grasveldje, maar plassen gesmolten sneeuw waarvan het bovenste laagje bevroren was en waar de as gewoon op bleef liggen wanneer je ze uitstrooide. Een dom zicht. Als cement uit een opengescheurde zak, in de winter op een bouwwerf.