Babi Badalov

babi badalov on book cover

De foto hierboven is getrokken door Geert Goiris en verschijnt op de cover van het boek “The Unwanted Self - Contemporary Photography from the Low Countries”. De foto is genomen in Tasjkent, en op de foto staat mijn vriend Babi Badalov.

Ter gelegenheid van deze gebeurtenis volgt nu een verhaaltje over mijn eerste bezoek aan Rusland in 1995, wanneer ik Babi heb leren kennen.

21 jaar in Sint-Petersburg

In 1995 vierde ik mijn eenentwintigste verjaardag in Sint-Petersburg, waar ik voor een maand op vakantie was.

Ik woonde in een appartement op de Vitebskaja oelitsa, vlakbij het Repinplein. De Poolse drukker Janosz, die ik had ontmoet op het vliegtuig, had me in contact gebracht met de eigenares ervan, een kleuterleidster. Met haar zevenjarige dochtertje was ze twee dagen na mijn aankomst op vakantie vertrokken naar Sebastopol, de thuishaven van de Zwarte Zeevloot. Ze had ros haar, een lange neus, droeg een bril met grote ronde glazen en een geel ensemble met witte kanten boordjes.

Het appartement was maar een donkere bedoening, want het bevond zich op de gelijkvloerse verdieping en er was geen directe lichtinval. Van ’s morgens tot ’s avonds lag het in de schaduw van de aangrenzende gebouwen. Ik werd er depressief van en sliep hele dagen, tot mijn rug er pijn van deed. Ik verveelde me.

’s Ochtends roosterde ik zwart roggebrood, borodinskij chleb, bestrooid met suiker. Op de televisie keek ik naar het nieuws, maar verstond er niets van. Tanks passeerden over het scherm. Dat was de eerste Tsjetsjeense campagne.

Ik rookte TU-144 sigaretten. Op het pakje stond een vliegtuig getekend, de Russische broer van de concorde, een Toepolev. Op enkele stappen van mijn deur, rechttegenover het venster van mijn kamer, bevond zich een klein winkeltje dat brood, sigaretten en vodka verkocht. Ik vierde mijn verjaardag en er was geen eten in huis, op enkele hompen witgroen varkensvet na die mijn huisbazin in het diepvriesvak had achtergelaten. Ik keek uit het raam om te zien of er geen klanten in het winkeltje waren en of er niemand op straat liep. Er hing een doodse stilte. Ik haastte me naar buiten en kocht snel een zwart brood, een pakje Kool’s Menthol en een halve liter vodka. Roesskaja vodka. De fles zag er vrij verdacht uit, zonder accijnszegel en met een plastic dop waar normaal enkel flessen azijn mee worden afgesloten. Op het scheefgeplakte etiket was een beer afgedrukt.

Een tijdje later was de fles leeg. Ik lag diagonaal uitgespreid op de uitklapbare divan in mijn kamer en probeerde mijn blik te concentreren op een scheur in het plafond, die steeds naar boven wegglipte. Op de achtergrond flikkerde de televisie.

In Rusland was ik twee weken tevoren beland, met een vlucht van Polish Airlines. Voor de eerste keer in mijn leven. Het geld voor de trip had ik verdiend in een Ierse pub in het centrum van Sint-Niklaas, waar ik op vrijdagen, zaterdagen en zondagen de borden waste, Irish Coffees klaarmaakte en betast werd door mijn homosexuele collega’s.

Het enige Ierse aan de pub was de groengeverfde gevel, het klavertje vier op de bierviltjes, de Irish Coffee en de Stew, die wel op het menu stond, maar nooit besteld werd.

De reis had ik nauwelijks voorbereid. Ik had me een vliegtuigbiljet en een visum aangeschaft, wat kleren in een zak gestopt en mijn spaarcenten ingeruild voor reischeques. In mijn binnenzak zat een Rough Guide, die ik dagenlang had bestudeerd, dromend van Sint-Petersburg.

In Warschau moest ik tien uur wachten op het volgende vliegtuig. Op de vlucht Warschau – Sint-Petersburg werd druk gerookt. Ik had mijn reisgids opengeslagen op het hoofdstuk Arrival – Pulkovo Airport en probeerde me voor te stellen waar ik de nacht zou doorbrengen, toen er een man naast me kwam zitten. Hij stak een sigaret op. John Player Special. De sigaretten van formule 1, Niki Lauda en Jacky Ickx.

De man was Janusz Jasinowizc, een Poolse drukker die drie dagen in Sint-Petersburg moest zijn om te onderhandelen met de zeepfabriek waarvoor hij de wikkels drukte. Hij besloot me tijdens zijn verblijf onder de arm te nemen.

Janusz werd aan de luchthaven opgewacht door een rode Lada Samara. Achter het stuur zat een Russische wetenschapper. Heel de rit lang sakkerde hij op Gorbatsjov en de perestroika, die hem zonder een rooie cent het postsovjettijdperk in hadden gekatapulteerd.

We reden Sint-Petersburg binnen. Ik had nog nooit zo brede boulevards en zo grote gebouwen gezien. Zelf de hemel leek me groter dan gewoonlijk. Het was alsof ik veranderd was in een dwerg. We hielden halt aan één van de bruggen over de Neva. De rivier was honderden meters breed en aan de overkant strekte de stad zich voor me uit, met haar paleizen, gouden koepels en in de avondzon spiegelende vensters. De zon speelde in het rimpelende water. Naast me stond de chauffeur en gaf me een hele uitleg over de gebouwen waar ik naar stond te kijken. Ik begreep enkel dat rechttegenover mij het Winterpaleis stond en achter me, aan onze kant, de universiteit. Gebouwd door Peter De Grote. Met tegenzin stapte ik terug de auto in. Ik was zodanig betoverd door het zicht dat ik er met moeite mijn blik van kon afwenden.

Tesamen met Janosz logeerde ik in een geïmproviseerd hotelletje op Vassiljevski Ostrov, één van de eilanden waar de stad op was gebouwd. Het centrum hadden we ver achter ons gelaten, en we waren beland in een gore industriewijk op een halve kilometer van de Finse Golf. Een felle wind blies zand over de lege straten. Tussen de braakliggende terreinen met roestende machineonderdelen stond hier en daar een leegstaande fabriekshangar met gebroken ruiten. Een aftandse tram rammelde over de sporen.

Het hotel was een bakstenen gebouwtje van twee verdiepingen hoog dat zich bevond achter een omheining van op elkaar gestapelde betonblokken. Het telde vijf kamers. In de gang stonden een paar fauteuils en een tafeltje met een telefoon op. Ik logeerde naast Janosz, die zich in de fauteuil zette en meteen druk begon te telefoneren.

De vloer van mijn kamer was bekleed met rood linoleum en op een tafeltje stond, naast een lege karaf, een bakelieten radio die twee posten kon ontvangen. Op de ene werd gepraat en op de andere klonk een symfonisch orkest. Om door het kleine venstertje te kijken moest ik op een stoel gaan staan. Toen ik het opende waaide een frisse zeewind me tegemoet.

De volgende dag nodigde Janusz me uit op restaurant.

Tesamen trokken we de stad in. We namen de metro naar het centrum. In de metro liep veel volk rond. De deuren van de wagons klapten hard achter ons dicht. De volgestouwde wagon raasde door de tunnels. Op de zitbanken was geen plaats meer en we stonden recht. Het treinstel remde zodanig bruusk, dat ik bijna mijn evenwicht verloor. Janusz pakte me beet bij mijn elleboog, opdat ik niet zou vallen. Hij glimlachte me toe. Voor hem leek alles zo vanzelfsprekend en eenvoudig te zijn.

Op de Nevski Prospekt, een kilometerslange boulevard die zich uitstrekte van de Hermitage tot aan het Alexander Nevski-klooster, met de grootste concentratie winkels, restaurants en bioscopen van de hele stad, liep zoveel volk dat ik er bloednerveus van werd. Om de vijf stappen controleerde ik of de buikriem met al mijn geld en documenten in zich nog op zijn plaats bevond. Ik voelde me als een kind dat verloren was gelopen in de supermarkt.

Nadat we op een terrasje een pintje hadden gedronken, namen we de taxi naar het restaurant. De naam van het restaurant was Grand Café Antwerpen. Janosz dacht me hier een pleziertje mee te doen.

Grand Café Antwerpen was een gecamoufleerd Russisch restaurant, net zoals Ierse pubs in Sint-Niklaas. Een Russische collega van Janosz wachtte ons op. Hij vroeg of ik vodka lustte. Vijf tellen later stond een volle fles op onze tafel. Na enkele glaasjes voelde ik me al een stuk vrolijker. Met de Rus was ik zelfs in een gesprek verwikkeld geraakt over Dostojevski, ondanks taalproblemen en het luidruchtige orkest.

Voor de twee, die waarschijnlijk al uitgepraat waren over allerlei commerciële transacties en voor de rest elkaar niets te vertellen hadden, was ik een welkome afwisseling. Ik was het gespreksonderwerp van de avond. Waarom was ik eigenlijk in Rusland beland? Was ik niet beter in Belgie gebleven, of ergens naar het Zuiden getrokken, waar de zon schijnt en de mensen vriendelijk zijn? Ze waren geïnteresseerd om het antwoord op deze vragen te horen, die hen echt bezig hielden. Hoe kon iemand uit het Westen het immers in zijn kop krijgen om naar het oostblok te trekken? Enkel masochisme kon een mens zover krijgen. ‘Elke Rus staat te popelen om zo snel mogelijk te vertrekken, en jij komt naar hier?’ Ze schudden hun hoofd in onbegrip. Ze vonden me een vreemde kerel.

Ik was al een beetje onder onvloed en al mijn voorafgaande remmingen en donkere gedachten waren van me afgevallen. Ik probeerde hen uit te leggen dat Rusland voor mij het verloren paradijs was, de plek die mij moest bevrijden van mijn complexen.

Toen we enkele uren later het restaurant buitenstapten in de warme donkere nacht, had ik zin om Janosz te omhelzen. Ik vond alles prachtig.

Maar Janosz was depressief. Hij zei dat hij liever jong zou zijn en student, en net zoals ik de wereld rondreizen. Die nacht kon hij niet slapen. Door de muur heen hoorde ik hoe hij de hele nacht met de hak van zijn schoen muggen doodmepte.

De volgende middag vertrok mijn weldoener, nadat hij mij aan een woonst had geholpen.

De dagen die ik lui had doorgebracht in dat appartement op het Repinplein met als culminatie mijn eenzame verjaardag, waren het laagtepunt van mijn reis. Ik was zodanig beschaamd over mezelf dat ik ’s anderendaags al mijn moed bij elkaar raapte en het besluit nam om de avond door te brengen in één van de – volgens mijn Rough Guide – hipste disco’s van de stad, de Fish Fabrique.

De Fish Fabrique maakte deel uit van een enorm kraakpand in een zijstraat van de Nevskii Prospekt, de hoofdstraat van Sint-Petersburg. Het kraakpand besloeg een heel huis. Een huis in Sint-Petersburg komt qua grootte min of meer overeen met een wijk in Brussel. Poesjkinskaja, 10 noemde het. Er woonden kunstenaars en avonturiers. Om je weg ernaar toe te vinden moest je de steeds dichter wordende concentratie van affiches en graffiti’s op de kleurloze Sint-Petersburgse gevels volgen. De Fish Fabrique bevond zich in een appartement op de derde verdieping, aan de straatkant. Het was simpel en goedkoop ingericht. De eigenaars hadden de deuren uit hun hengsels gelicht en de muren, vensters en ramen inclusief, zwart geschilderd. In de hoek van de kamer tegenover de ingang stond een vluchtig in elkaar getimmerde toog. Ze verkochten bier in flesjes, vodka, chips en gedroogde vis, de onontbeerlijke vobla. Ik kocht me een flesje plaatselijk bier, Neva Pils. Die avond was er een rockconcert aan de gang. Niet ver van de bar, op een klein podium, stonden drie muzikanten: een drummer die zijn stokjes steeds verloor, een bassist die verveeld op een sjiek kauwde en een gitarist die de toppen van zijn schoenen bestudeerde. De gitarist had lang sluik haar dat als een gordijn voor zijn ogen hing en prevelde allerlei woorden in de micro, in fonetisch Engels. Ze waren gekleed in het zwart en speelden op dure instrumenten. In de club was een honderdtal bezoekers.

Eén ervan sprong me meteen in het oog. Hij zat op een bankje, omringd door drie meisjes die allemaal vrolijk aan het lachen waren. Het was een kerel van rond de vijfendertig , kaalgeschoren, met een arendsneus. Hij droeg witte schoenen, een witte broek en een wit hemd met bloempjes. Terwijl hij praatte, maakte hij verwijfde handgebaren.

Ik had al een paar pintjes op en de remmingen die me de voorbije weken in hun greep hadden gehouden waren van me afgevallen. Ik was beland op dezelfde golflengte als het mij omringende gezelschap.

Plots keerde hij zich naar me toe en keek me met een uitdagende blik recht in de ogen. Ik glimlachte, met mijn pint in mijn handen, en stak mijn tong naar hem uit.

Hij heette Babi, of voluit: Babachan Badalov. Hij staat hierboven op de foto. Hij was mijn gids voor de volgende twee weken. Babi nodigde me uit om bij hem de nacht door te brengen. Hij sprak Engels en had interessante dingen te vertellen. Na twee weken van stilte en verveling, op een paar schuchtere uitstapjes na, had ik eindelijk het gevoel dat ik thuis was.

Babi woonde in Poesjkinskaja, 10, op de zesde verdieping. Zijn appartement rook naar olieverf. Hij had electriciteit en stromend water. Zijn toilet lekte. Ik kreeg een stofferige sofa toegewezen. In Rusland slaapt iedereen op sofa’s. Het ding was anderhalve meter lang en ik lag er de hele nacht op te woelen. De zon verscheen al van achter de daken toen ik voor enkele uurtjes, in foetale houding, indommelde.

Babi was geboren in Azerbeidzjan, in de bergen, aan de grens met Iran. Hij toonde me zijn fotoalbum. Rond zijn twintigste had hij een lange baard en was hij brandweerman in Bakoe. In de vroege jaren negentig, na de val van de Sovjetunie, had hij enkele jaren in Amerika doorgebracht. In New York en in San Francisco. In ongure hotels. Hij leefde voornamelijk ’s nachts.

Zijn appartement hing vol met schilderijen. Het was vreselijk stofferig.

Ik zei aan Babi dat ik wel zin had in een joint. Babi bracht me naar appartement 93, waar Oleg Kotelnikov pinguins schilderde. Oleg was een pezige, actieve kerel. Ljosja trup, een hippie van middelbare leeftijd die steeds in woningnood verkeerde, deed het huishouden. Oleg en Ljosja kenden elkaar al van de peutertuin.

Ljosja was lang en mager, had een luizig baardje en vettig haar tot op zijn schouders. Zijn huid was geel, net als het wit van zijn ogen. Hij droeg een snow wash jeans en steeds hetzelfde hemd. Hij glimlachte naar alles en iedereen. Zijn bijnaam was ‘het lijk’ en het houten weekendhuisje aan de Finse Golf waar hij de winter in doorbracht werd het mausoleum genoemd.

Het grootste deel van de mij resterende tijd bracht ik met hem door. Hij speelde gitaar, ééntonige melancholische blues. Hij neuriede tijdens het spelen. In zijn kamertje naast de keuken maakten we muziek die we opnamen op een cassetterecorder. Ik pingelde op een banjo met drie snaren die half aan flarden lag terwijl Ljosja neuriede en akkoorden aframmelde. Af en toe stak ik er een vrolijke uitroep tussen. Vooraleer we aan dit dagelijkse ritueel begonnen, hadden we gewoonlijk enkele joints achter de kiezen en waren we halfverdoofd.

Enkele jaren later had Ljosja een groep die Neva Delta heette, naar analogie met de Mississipi. Het was een groep die eindeloos repeteerde, maar nooit optrad. Poesjkinskaja 10 was toen al opgedoekt, en ze repeteerden in een squat aan de andere kant van de stad. In de groep speelde een vijftal man. Ljosja was de voorman. Hij had te weinig autoriteit om de groep onder controle te houden en was te schuchter om voor publiek te spelen. De drummer werkte in een toeristische firma. De bassist was een werkloze bodybuilder en er was nog een kerel die speelde op een mandoline en eruit zag als een professor. Hij droeg een bril met dikke glazen en reed met een oude renfiets, een gevaarlijke hobby in Sint-Petersburg.

Elke avond ging ik met Babi naar de disco en bleef ik bij hem slapen op de korte sofa. ’s Morgens ontbijtten we op café, elke dag ergens anders. Naar het appartement dat ik huurde ging ik alleen maar terug om me te wassen. Mijn vakantie was voorbij en ik wilde niet naar huis terug.

Ljosja zou later peter worden van mijn dochter. Nog later zou hij, net terug van een pelgrimage naar Indië, door een bende zestienjarige gopniki (slechtgekapte jongelui in blauwe trainingsbroeken met witte strepen) doodgeslagen worden in een donker straatje op weg naar zijn mausoleum.

Babi woont nu in Cardiff, na gevlucht te zijn uit het democratische Bakoe en klaagt dat het koud is, dat het regent en dat het altijd waait.

5 Reacties

Mies:

Beste verhaal ooit op ikenmijnlada.com — en dat wil wat zeggen.

klaus:

Ja, dat is een keurmerk!

klaas:

Ik ging bijna schrijven : ‘heerlijk om lezen’
Tot ik uit mijn romantische roes werd geschud door dat gruwelijke einde aan het leven van de peter van je dochter.
‘Meeslepend geschreven’, dan maar.

Joost Brummelkamp:

Je hebt het weer helemaal te pakken, Klaus. Maar dan ook helemaal.

Anders:

Nu nog ‘n uitgever vinden…

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*