Romantische wandeling

Het was drie jaar geleden dat ik met mijn vrouw op zondag een wandeling had gemaakt. We hadden wel vaker zondagen zonder de kinderen doorgebracht, maar die waren steeds volledig toegewijd aan het scannen van de rijen met voeding, schoonmaakproducten en kleding in één van die gigantische supermarkten die de laatste jaren gebouwd zijn aan de rand van Moskou.

Maar nu wilden we er eens uit. Met zijn tweetjes de straat op, wandelen door de straten van Moskou en bijpraten, want veel tijd om te praten hebben we ook al niet. We hadden ons voorgenomen een kijkje te nemen op de Vinzavod, een plek die het laatste jaar in de mode is geraakt. Het is een oude vodkafabriek die een tijd leeg heeft gestaan en waar nu allerlei kunstgalerijen zijn geopend die een trekpleister zijn geworden voor het hippe publiek van Moskou. Daar wilden we natuurlijk deel van uit maken en mijn vrouw en ik trokken er op uit.

Vinzavod is gelegen op wandelafstand van metro Koerskaja, het metrostation dat uitgeeft op het Koerskstation. Koerski vokzal stinkt naar kots en fecaliën, ondanks zijn heldenstatuut - Koersk is één van de 12 heldensteden van de gewezen Sovjet-Unie omwille van de Koerskaja doega, de tankslag uit 1943 waar 200.000 soldaten het leven hebben gelaten en die het Duitse leger een zware slag toediende. Ondanks dit alles en het indrukwekkende metrostation, het metershoge monument aan de ingang (nu versierd met een grote reclame voor, heel toepasselijk, ’strontrappers’ ofte govnodavy), ondanks al deze pathos en verheven gevoelens stinken heel het station en de rondom liggende straten. Het is een onhoudbare stank die je blijft achtervolgen. Dat merkten ik en mijn vrouw toen we ons door de ondergrondse doorgang onder dat perron richting Vinzavod begaven. Vanaf we de trappen ervan afdaalden, schoot de stank van een door gal en maagzuur aangetaste diarrhee van een alcoholieker onze neus binnen, alsof we net een flacon met vlugzout te ruiken hadden gekregen.

“Rook dit tijdens de Sovjetunie ook zo?” vroeg ik aan mijn vrouw en moest denken aan een klassieker uit de Sovjetliteratuur, Moskva-Petoesjki van Venedikt Jerofejev, waar het hoofdpersonage zijn alcoholische hallucinatietrip aanvangt in het station van Koersk, waar hij in het restaurant 800 gram sherry bestelt (link naar de Russsische tekst, wel drie hoofdstukken erin zijn gewijd aan het station van Koersk. In het nederlands noemt het boek overigens Moskou op sterk water.)

“Neen,” zei mijn vrouw, “tijdens de Sovjetunie kon je in Moskou van de straat eten.”

Nu zou ik dat niet riskeren. De ondergrondse doorgang bleek nergens op uit te lopen en we maakten rechtsommekeer. We liepen langs de voorkant van het station, die de laatste jaren trouwens verborgen wordt van nieuwsgierige blikken door het Atrium shoppingcentrum, dat enkele verdiepingen hoger is en waardoor het station meer op een bijgebouw is gaan lijken, een bewijs van corrupt urbanisme. Aan de hoofdingang staat een constructie gewijd aan de heldenstatuut van de stad Koersk, een kader van een tiental vierkante meter waar destijds waarschijnlijk patriottische teksten hingen, of foto’s, of — in het slechtste geval — een uurrooster. Nu hangt er een reclameposter voor een schoenmerk. een grote combatshoe neemt 3/4 van het beeld in beslag.

Vinzavod was gelegen in de rode bakstenen gebouwen van een vodka- en bierfabriek die in de 19-de eeuw toebehoorde aan de adellijke familie Vorontsov. Om binnen te geraken moet je door een roodgeverfde deur en dan kom je op een koer terecht waar, in het oude fabrieksgebouw, de administratieve korpus en de vroegere opslagplaatsen de meest modieuze kunstgalerijen van Moskou zijn gevestigd. Mijn vrouw en ik hadden ons vorogenomen een kijkje te gaan nemen op de tentoonstelling van Anatoli Osmolovsky in de Marat Gelman galerij. Marat Gelman is een bekende galerijhouder. Hij heeft een blog op Livejournal onder de naam ‘galerist’ en organiseert tentoonstellingen die worden verboden en waarvan de kunstwerken aan de grens worden geconfisceerd.

Maar de Marat Gelman galerij was gesloten. Net zoals de galerij van Aidan Salachova. In de XL-galerij waren er verbouwingen bezig. Van alle galerijen was er maar één open. Er werden tweederangsschilderijen verkocht van Russsiche constructivisten uit de jaren twintig en slordige tekeningen (balpen op kopieerpapier) van op dit moment modieuze kunstenaars. Niets bijzonders.

Voor de rest waren alleen maar een klerenwinkel en een winkel met salontafelboeken open. In de klerenwinkel werd kledij van Belgische en andere peperdure stylisten aan de man gebracht. Een kerel van midden veertig, met bril en getrimd baardje, paste een linnen mantel van 50.000 roebel.

“Het heeft iets negentiende-eeuws, niet?” vroeg hij aan zijn vrouw. Dat is tegenwoordig het ideaal van Russische zakenlui: de Russische koepets, de koopman uit de negentiende eeuw, die houdt van copieuze, niet al te geraffineerde maaltijden (delicatessen uit de Russische volkskeuken: steur, haring, speenvarken), van snelle paarden en gevaarlijk rijden, maar gaat tegelijkertijd vroom naar de kerk en stopt ook zijn arme naasten af en toe enkele kopekes in de hand.

De huidige Russische zakenlui cultiveren dit romantische beeld van de eervolle macho; het legitimiseert, creëert een historische erfelijkheid. Een valse historische erfelijkheid. Het gaat hier immers niet om kleinkinderen van diezelfde koeptsy, maar om gewezen partijfunctionarissen en komsomolactivisten. Dat is echter geen mooi verleden voor een kapitalist.

De man hing ondanks het coloriet het veston terug aan de kapstok. Zoveel imago zat nu ook weer niet verborgen in die lappen slordig aan elkaar gestikte stof. Een kraagje uit nertsbont zou de prijs meer hebben verrechtvaardigd.

Mijn vrouw en ik verlieten de winkel. We verlieten ook Vinzavod. We waren ontgoocheld. Was dat alles wat Moskou te bieden heeft op gebied van trendiness?

Op de weg terug passeerden we opnieuw het Koerskstation. Een dronkelap met heel zijn gezicht onder het bloed, kruiste ons pad. Even verder stonden een paar vrijwilligers eten uit te delen aan daklozen. We liepen voorbij een bushokje en daar stonden twee achtergelaten bordjes met gekoookte rijst en een homp brood.

“Ik heb gelezen op een forum dat daklozen vlees willen. Dat ze die rijst niet moeten hebben”, zei mijn vrouw.

“Ze hebben groot gelijk,” antwoordde ik, “rijst vinden ze in elke vuilbak.”

We stapten in de trolleybus, want we hadden er genoeg van. In de trolleybus rook het naar stront.

“Die stank blijft me achtervolgen,” zei ik tegen mijn vrouw.

“Misschien heb je wel in iets getrapt,” merkte ze op.

Ik bestudeerde mijn voetzolen.

“Neen,” zei ik, “ze zijn proper.”

“Wat een romantisch uitstapje”, zei mijn vrouw.

7 Reacties

  1. Posted 28 March 2008 at 10:22 | Permalink

    Hoe is het met verhuizing naar Belgie?

  2. Posted 28 March 2008 at 14:02 | Permalink

    En verdomme, gewoon weer een origineel Ikenmijnlada-verhaal. Zo lees ik ze erg graag, Klaus, dank.
    En wat louter vraagt, natuurlijk, dat ook.

  3. Posted 28 March 2008 at 15:25 | Permalink

    Ben eerder aan Berlijn aan het denken de laatste tijd. Ben al duits aan het leren.

  4. Posted 28 March 2008 at 15:30 | Permalink

    mooi hoor. en romantische. berlijn ook trouwens.

  5. Posted 28 March 2008 at 20:52 | Permalink

    Fijn stukje.

  6. Posted 2 April 2008 at 5:53 | Permalink

    Leuke vrouw ook.

  7. klaus
    Posted 2 April 2008 at 7:57 | Permalink

    Daar ben ik mee akkoord.

Reageer

Uw email zal nooit gepubliceerd noch verdeeld worden. De benodigde velden zijn aangeduid *
*
*