Careertest

Hierna, vers van de pers, nog een verhaaltje.

Dinsdagmorgen besloot ik om de tijd te doden een careertest te doen op het internet. Ik moest zestig beweringen beoordelen op hun relevantie met betrekking tot mijn persoon.

Het waren allemaal domme vragen waarvan ik absoluut de zin niet van inzag, zoals: ‘ik ben geïnteresseerd in theoretische fysica’, ‘ik leef volgens een schema’ of ‘ik heb gewerkt of zou graag werken als een tatoeëerder’.

Ik moest de beweringen beoordelen als ‘zeer accuraat’ of ‘zeer onjuist’ en tussen deze twee oordelen waren vijf bolletjes waarvan ik er één zwart moest kleuren. Omdat ik toch niets om handen had, Guido, mijn overste, was naar een vergadering en zou pas binnen een uur terugkeren, nam ik mijn tijd en overwoog ik op mij gemakje of ik nu al dan niet patronen zocht in het heelal of een zeer georganiseerd persoon was.

Toen ik een kwartiertje later de zestigste vraag had beantwoord drukte ik op het submit-knopje. Op mijn computerscherm verscheen het volgende antwoord:

U bent een ondersteuner. Mogelijke beroepen zijn de volgende: verpleegster, sociaal werker, kelner, steward, boekhouder, tandartsassistent, massagist, onderwijzer, priester, klerk, telemarketeer, verzekeringsmakelaar, handelsvertegenwoordiger, kinderoppas, vrijwilliger.’

Ik werd depressief van dat resultaat. Ik printte het uit, vulde mijn tas thee met heet water uit mijn thermos, pakte een theezakje uit het doosje naast mijn computer en ging naar Rita, mijn collega, om te klagen. Ik had dringend nood aan haar troostende woorden.

Maar Rita was niet in een stemming om me op te kikkeren. Ze heeft zo van die dagen dat je haar beter niet benadert omdat ze alleen maar allerlei vunzigheden uitbraakt, en dit was er één van.

Maar het was al te laat toen ik dat besefte: ik had het papiertje met de resultaten al aan haar voorgelegd.

‘En,’ vroeg ze, ‘waar ben je niet tevreden mee?’

‘Een ondersteuner!’ riep ik uit, ‘Vindt jij dat ik een ondersteuner ben? Alleen al dat woord, voel jij niet alle minachting die daar in zit? Het klinkt als untermensch, alsof ik gedoemd ben om mijn hele leven op mijn knieën te kruipen en de hielen te likken van mijn oversten!’

‘En wat als dat het geval is?’ antwoordde Rita. ‘Je moet de waarheid in de ogen durven kijken. Jij bent een ondersteuner. Dat staat op je voorhoofd geschreven. Dat zie je aan de manier waarop je loopt, waarop je je kleedt, waarop je naar de grond kijkt wanneer Guido je iets vraagt. . .’

‘Het is al goed, ik begrijp wat je bedoelt.’

‘ik zeg niet dat je niet kan veranderen, elk mens kan veranderen,’ Rita graaide naar haar pakje sigaretten, ‘maar ik zie bij jou weinig potentieel voor verandering, ik denk dat je daar te lethargisch voor bent, om iets aan je gedrag te willen veranderen.’ Ik begon hevig mijn theezakje in mijn kop onder te dompelen, tot mijn thee even zwart zag als een kopje ristretto.

‘In jouw geval zou ik me bij mijn lot neerleggen, zoals ik dat heb gedaan. Spuw erop, op die toekomstplannen. Steek die dromen de kast in, doe ze op slot en gooi de sleutel uit het venster. Het is de dag van vandaag die telt, en om die door te komen heb je al genoeg wilskracht nodig.’ Rita nam enkele diepe trekken van haar sigaret en blies de rook uit door haar neusgaten, waardoor ze volgens mij heel erg leek op een orakel, een medium of een zigeunerin met een kristallen bol.

‘Ik kan me onmogelijk tevreden stellen met mijn huidige situatie,’ antwoordde ik, ‘en ik vind het vreemd dat jij – die alle redenen hebt om ongelukkig te zijn – je schikt in je lot.’

Deze woorden hadden een sterke uitwerking op Rita, want ze pakte de asbak op en keilde die in mijn richting (ik kon hem gelukkig ontwijken) met de woorden: ‘Doe er dan iets aan, aan dat zielige leven van je! Wat sta je hier nog te doen, met je theezakje en je kopje? Aan het werk! Vort! Wordt een leider, net als Guido!’

Rita wist dat het woord Guido op mij werkte als een rode lap op een stier: ik kreeg goesting om met mijn hoofd deuren in te gaan rammen. Toen Roland nog mijn baas was voelde ik me beter in mijn vel: Roland was er 62; hij was oud, wijs en had respect voor zijn medewerkers, maar toen hij stierf en vervangen werd door Guido, was voor mij de lol eraf. Guido was twee jaar jonger dan mij, had een diploma rechten en een diploma toegepaste economische wetenschappen en had gestudeerd in Amerika, hij veranderde elke dag van kostuum en kreeg de hele tijd telefoontjes van vrouwen waar hij Bretoense oesters mee ging eten in sjieke restaurants en die hij dan neukte voor de open haard in de Ardeense chalet van zijn ouders. Bovendien had hij een zilverkleurige Mercedes die hij niet diende te parkeren enkele straten verder om een deftige indruk te maken, zoals ik diende te doen met de Renault 4 die ik had gekocht op een failissement.

Guido was alles dat me erop wees dat mijn leven één groot falen was, een falen zo groot als de afstand tussen mij en Guido. De afstand tussen leider en ondersteuner.

Ik zette me achter mijn computer en stuurde over het netwerk een email naar Rita:

Beste collega,

Ik weet dat je me een hopeloze sukkelaar vindt en dat je denkt dat ik geen controle heb over mijn eigen leven en me enkel kan wentelen in zelfmedelijden. Om te bewijzen dat dat niet het geval is, ga ik met jou de volgende weddenschap aan: op het einde van de werkdag zal Guido jaloers zijn op mij, en niet omgekeerd, zoals nu het geval is.

Je verbolgen collega

Het duurde niet lang vooraleer het antwoord van Rita in mijn inbox belandde.

Ik wens je veel succes. Waarom wedden we? R.

We spraken af dat de verliezer een week de rekening zou betalen in de tearoom in het Centraal Station waar Rita ’s middags haar boterhammen at.

Als ik deze weddenschap niet wilde verliezen en me niet voor eens en voor altijd wilde stigmatiseren als verliezer, dan moest ik dringend een zwakke plek vinden in Guido’s verdediging.

Na een half uur gespannen nadenken, kon ik maar op twee zaken komen die een mogelijk bewijs waren van Guido’s zwakte: wanneer hij met mij praatte, gebeurde het soms dat hij zijn horloge losmaakte en de achterkant ervan begon af te likken, om er vervolgens aan te ruiken. Wat betekende dat? Dat hij een rotte tand had en zijn ademgeur controleerde? Of dat hij met de likkende beweging de geuren van het polszweet op de stalen achterkant losmaakte en als dusdanig genoot van een heel intiem geurtje dat hem in gedachten terugbracht naar zijn zorgeloze kindertijd en hem hielp om zich te concentreren?

Het tweede waar ik op kon komen was misschien iets vatbaarder: al drie jaar lang was hij met de raad van bestuur in een intensieve briefwisseling verwikkeld over zijn promotie naar ambtenaar derde klasse. Om één of andere duistere reden werd zijn kandidatuur voor deze promotie elke zes maanden afgewezen, tijdens de traditioneel hiervoor bijeengeroepen zitting. Waarom, dat was me duister. Zijn brieven aan de raad van bestuur waren de enige correspondentie die hij volledig zelfstandig afhandelde. Hij typte zelf de tekst, deed de brief zelf in een envelop, likte die toe en sloot voor alle zekerheid de envelop met een reepje plakband. Op de enveloppe schreef hij steeds in grote letters: ZEER VERTROUWELIJK.

Al bij al had ik niet veel materiaal om Guido uit evenwicht te brengen. Enkel genoeg om hem een beetje op zijn zenuwen te werken, hem als het ware hooguit een paar muggenbeten toe te dienen. Zo zou ik die weddenschap nooit winnen.

Guido riep me bij zich op kantoor om zijn bakje ‘uit’ leeg te maken. In het bakje lag, naast oude kranten en brieven die ik moest klasseren, een stapeltje foto’s. Ik kon mezelf niet bedwingen er geen blik op te werpen. Wat ik zag was misschien de sleutel voor mijn overwinning: de foto’s waren getrokken tijdens Guido’s laatste vakantie in een badplaats aan de Normandische kust, aan de grijze hemels, de bruine zee en vaalgele koppen van de golven, de brede stranden en hoge rotsen en de warme kleding te merken. Op de foto stond echter nergens Guido, maar enkel een kerel van Guido’s leeftijd, met hier en daar een grijs haartje; de man droeg rode leren schoenen en had een turkooise sjaal rond zijn nek hangen. Hij was ongeschoren en maakte kushandjes naar de camera, die zich op dat moment in de handen van Guido moest hebben bevonden. Die kerel was een homo, dat lag er dik genoeg op.

Dus Guido ook? Was dat mogelijk?

Ik kleefde een post-it note op het stapeltje foto’s en schreef er op: ‘vakantiefoto’s van Guido met onbekende aanbidder’. Ik daalde af naar de gelijkvloerse verdieping en legde het pakje foto’s in het postvakje van meneer Verstuijven, dat elk uur door Betty werd geleegd.

Toen ik terug bovenkwam, riep Guido me bij zich en begon hij me een fax te dicteren. Ditmaal was het een fax aan zijn bankier, met het verzoek om 2.000 euro door te storten van zijn spaarrekening naar zijn zichtrekening. Dat dat tegenwoordig met internet gedaan kon worden was nog niet tot hem doorgedrongen. Hij dicteerde traag en pauseerde na elk woord, zodat ik alles zonder fouten kon opschrijven en hij kon nadenken over hoe hij de volgende zin zou formuleren. Toen we halverwege de tekst waren, maakte hij zijn horloge los, een dik Zwitsers horloge met vele knopjes en verschillende wijzerbladen – van het type dat gereclameerd wordt in gezelschap van zeilboten en bebaarde mannen – en begon er de achterkant van af te likken, na elk woord dat hij me dicteerde. Het ging zo: ‘Geachte heer Baert,’ lik, ‘Beste Patrick,’ lik, ‘ik zou je willen verzoeken,’ lik…

Terwijl hij de woorden uitsprak besnuffelde hij de achterkant van zijn horloge. Blijkbaar kon hij zich dan beter concentreren, maar ik voelde me nogal ongemakkelijk bij het aanschouwen van deze intieme daad, en omdat er bovendien vandaag zoveel op het spel stond, besloot ik hem de vraag te stellen die al zo lang op mijn tong lag maar die ik de hele tijd niet durfde stellen: ‘Mag ik u vragen waarom u eigenlijk de achterkant van uw horloge aflikt? Steekt daar iets achter?’

Deze vraag bracht Guido meteen uit zijn zalig likkende euforie. Zijn gezicht sloeg rood aan en hij begon te stamelen dat dat een onnozele gewoonte was waar ik helemaal geen aandacht aan hoefde te besteden, deed gauw zijn horloge terug aan en trok er zijn hemdsmouw over, om alle sporen van misdaad uit te wissen. Daarna zei hij me dat ik die fax mocht gaan uittikken.

Terug in mijn kantoor nam ik een stukje papier, zette er een streepje op en verborg het onder mijn klavier, naast het blaadje met het paswoord van mijn computer. Toen ik de fax ter ondertekening voorlegde aan Guido, vroeg ik hem langs de neus weg of hij de brieven had gezien die vandaag waren binnengekomen; het kwam me voor dat daar een brief van de raad van bestuur tussen zat.

Guido sprong recht alsof zijn broek in brand stond en stormde de trap af richting postvakjes.

Ik keerde terug naar mijn kantoor en zette een streepje bij op het papiertje onder mijn klavier.

Even later keerde Guido terug, hij zag er maar beteuterd uit, en zei dat ik me waarschijnlijk vergist had wat die brief betrof. Er lag helemaal niets in zijn bakje. Ik haalde mijn schouders op en zei: ‘Vreemd, ik zou nochtans gezworen hebben dat ik iets gezien had.’

Op dat moment stapte Rita mijn kantoor binnen en sloeg de deur achter zich dicht. ‘Wat denk je wel dat je doet?’ siste ze naar mij. Ze zwaaide voor mijn neus met Guido’s Normandische vakantiekiekjes. ‘Betty heeft er al alle kantoren mee afgesjacherd! Guido’s sexuele oriëntatie is het gesprek van de dag aan de koffiemachine.’

Ik was in mijn nopjes en toonde haar mijn briefje en maakte er met mijn balpen nog een lijntje bij: ‘3-0!’ riep ik uit. ‘Het ziet er naar uit dat ik de weddenschap ga winnen. Haal je maaltijdcheques maar boven,’ zei ik tegen Rita.

Maar Rita luisterde al niet meer naar mij. Ze ging naar het kantoor van Guido, gaf hem de foto’s terug en zei hem een paar woorden, waarop Guido rechtstond, mijn kantoor binnenliep en zei: ‘Dat had ik niet van jou gedacht, K.’ Hij zei het met een ontgoocheling in zijn stem, net alsof hij tot dan toe een hoge mening had van mij. Daarna verliet Guido het gebouw en reed met scheurende banden de parking uit.

Hij kwam die dag niet meer terug op kantoor, zo kwaad was hij.

Om mijn schuld tegenover Rita af te kopen heb ik haar heel de volgende week mogen trakteren op capuccino’s met amaretto in de tearoom aan het Centraal Station.

2 Reacties

Ton:

Hoi.

Goede nacht.
Ik zou er ook depressief van worden hoor.
Mag ik mij even voorstellen ik heet Ton en woon in nederland.
Ben gehuwd en heb 2 dochters en ook 2 schoonzoons…
Verder heb ik een blog in België want daar is het gratis en Hollanders houden van goedkoop liefst voor niks. (grapje hoor)
Maar ik was wat aan het surfen en ik moest ineens denken dat het daar toch wel veel kouder moet zijn dan hier 4 graden in Zuid-Holland..
Zo en nu hoop ik dat je mij niet al te vrij hebt gevonden anders zou ik je eerlijk willen vragen om mij dat even te laten weten…
God zegene je en groetjes Ton.

Klaus:

Eerlijk gezegd had ik dit bedoeld als een humoristisch verhaal.

Gelieve mij te verontschuldigen als ik hier iemand depressief mee heb gemaakt. Dat ligt nooit in mijn bedoelingen.

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*