Muiselleboog

Ik stond met mijn kop thee in het kantoor van Rita en zei: “Rita, ik zit met een probleem.”

Rita gaf haar stoel een draai en haar gezicht kwam te voorschijn van achter haar monitor. “Een probleem,” zei ze, “tof.”

Rita hield van mijn kleine ongemakjes. Dat leidde haar gedachten af van haar Duitse Scheper die op 15 december aan longkanker de geest had gegeven.

“Mijn computer staat niet zoals het hoort,” zei ik. “Hij staat tegen de muur en ik zie niet wie binnenkomt. Ik ben bang dat iemand achter me staat en meegluurt over mijn schouders. Wanneer ik patience speel of de krant lees op het internet begint mijn hart te kloppen en om te kalmeren kijk ik voortdurend achterom, maar daar krijg ik dan weer nekpijn van.”

Ik slurpte van mijn thee en Rita keek naar mij, haar ogen twee spleetjes. Het was duidelijk dat ze diep nadacht.

“Ik heb de achteruitkijkspiegel van mijn wagen geschroefd en naast mijn monitor gezet,” vervolgde ik, “om de druk op mijn nek te verzachten, maar die spiegel heeft een dode hoek en één keer ben ik me een vreselijke breuk verschoten toen Guido zijn hand op mijn schouder legde.”

“Legt Guido zijn hand op je schouder?” vroeg Rita.

“Ja, en soms likt hij ook de achterkant van zijn horloge af.”

Rita trok een grimas van afgrijzen.

“Bovendien heb ik pijn in mijn elleboog omdat mijn rechterarm zich steeds in een onhandige positie bevindt,” besloot ik.

Rita zette zich iets rechter in haar zetel en kuchte. Dat wilde zeggen dat ze zou beginnen spreken.

“Volgens Feng Shui is dat het mes-in-de-rug effect. Je zit met je rug naar de deur, en je bent totaal niet verdedigd tegen indringers in je persoonlijke cirkel. Dat is zeer slecht voor je zelfvertrouwen, dat bij jou sowieso al laag genoeg is. Het eerste wat je moet doen is je bureau plaatsen rechttegenover de deur, zodat je er recht naar kijkt wanneer iemand binnenkomt. Als iemand een opmerking maakt, zeg dan dat je een muiselleboog hebt.”

“Maar ik heb ook een muiselleboog”, opperde ik. “Ik kan met moeite mijn rechterarm plooien!”

“Dat is een probleem dat we achteraf zullen oplossen,” zei Rita, “mens sana in corpore sano. Eerst moet je je psyche wat opkrikken en dan een paar weken ziekenverlof nemen of dagelijks naar de massage gaan om van die elleboog af te geraken.”

“Ja,” zei ik, “daar heb je een punt. Naar de massagist kan ik altijd gaan, maar mijn zelfvertrouwen moet ik dringend opkrikken, voor het helemaal de dieperik in dondert.”

Ik schoot meteen in actie.

Ik was net de kabels van mijn computer uit het stopcontact aan het trekken toen Guido binnenkwam, mijn baas.

Guido lijkt op Patrick Bateman uit American Psycho: een afgelikte en harteloze kloot die voornamelijk aan zijn kapsel en driedelig kostuum denkt en al zijn werk doorschuift naar mij. Hij belast mij als een muilezel, berijdt mij als een paard dat tot bloedens toe met zweep en sporen wordt bewerkt, ook als het beest eronder geen stap meer kan zetten.

Guido legde zijn leren dossiertasje op mijn schrijftafel en begon haastig de stekkers terug in de stopcontacten te steken.

“Nu even niet K.,” zei hij, “ik heb hier een paar faxjes die je dringend moet versturen, anders krijg ik onder mijn voeten.”

Ik vloekte stilletjes, zette het materiaal terug en probeerde Guido’s gekrabbel te ontcijferen. De tekst die op de faxjes moest komen had hij op weerskanten van een post-it note gepend, in een miezerig klein geschrift dat hier en daar was doorgehaald. Er was helemaal niets dringend aan: in één ging het over een bestelling van tien dozen bordeaux bij zijn wijnboer, in een andere weigerde Guido de electriciteitsrekening te betalen van zijn appartement en in de laatste vroeg hij aan de voorzitter van de raad van bestuur hoe het zat met zijn promotie. Ik liet de brieven ondertekenen door Guido en stak ze in het faxapparaat. Daarna wachtte ik tot Guido vertrok naar een vergadering om mijn verhuis ongestoord verder te zetten.

Even later zat ik met mijn gezicht naar de deur, om het mes-in-de-rug effect te vermijden. Niemand zag me zitten achter mijn scherm, de computer en de warboel aan kabels die er van achter uitstaken.

De eerste die passeerde was Betty, de secretaresse van meneer Verstuijven. Ze rende voorbij met een pot koffie en keek naar goede gewoonte mijn kantoor binnen om te zien waar ik mee bezig was. Mijn ogen ontmoetten haar onbeschaamde nieuwsgierige blik en Betty hield halt.

“Zou je dat wel doen, K?” zei ze na een korte stilte. Ze leek verbouwereerd door mijn arrogantie, beledigd zelfs.

“Ik heb last van een muiselleboog”, zei ik. “Ik kan nauwelijks mijn arm strekken. Ik denk dat deze positie beter is voor mijn gezondheid.”

“Een muiselleboog? Nog nooit van gehoord”, zei Betty en ze stapte verder naar de keuken met haar koffiepot.

Enkele minuten later passeerde de grote baas, meneer Verstuijven. Hij stopte voor mijn deur en keek naar mij alsof ik een nieuwe kracht was die K. moest vervangen.

“Een muiselleboog”, begon ik reeds verontschuldigend, omdat ik het gevoel had dat ik iets moest vertellen.

Meneer Verstuijven liep mijn bureau door, ging aan het venster staan en tuurde. Uit mijn venster was nochtans niet veel te zien. Het gaf uit op een kantoorgebouw met geblindeerde vensters en ons smalle straatje, waar enkel twee rijen geparkeerde auto’s stonden. Hij draaide zich om naar mijn scherm en vroeg: “Ben je zeker dat ze daar rechtover niet kunnen lezen wat je tijpt?” wijzend naar het raam rechtover aan de andere kant van de straat.

“Dan moeten ze toch wel heel kleine lettertjes kunnen lezen, meneer Verstuijven”, opperde ik.

Meneer Verstuijven verliet onbevredigd mijn kantoor.

Toen Guido terugkwam en me zag op mijn nieuwe plek, keek hij het kantoor rond. “Is hier iets veranderd?” vroeg hij. “Jij hebt je bureau toch niet verzet?”

“Ja,” zei ik, “een muiselleboog.”

“Die tafel stond veel beter tegen de muur. Nu breekt die heel de ruimte.”

Ik zweeg en bewoog mijn rechterarm op en neer en maakte een pijnlijke grimas.

“Zou je niet beter de tafel een draai geven van negentig graden?” stelde Guido voor. “Of ben je bang van het mes-in-de-rug effect?”

“Heeft Rita u dat verteld?” vroeg ik verbaasd.

“Rita?” vroeg hij.

Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. “Ach, Rita!” riep Guido uit. “Ik vroeg me al af waar jij al die ideeën vandaan haalt.” Guido verliet in een opperbeste stemming mijn kantoor: hij had weer een interessant nieuwtje om zijn collega’s mee te amuseren.

De volgende dagen was ik aan zware beproevingen blootgesteld. Betty keek met een verwijtende blik mijn kantoor binnen telkens ze passeerde en Guido viel me lastig met mes-in-de-rug grapjes. Zo kwam hij een keer met opgeheven arm mijn kantoor binnengerend, alsof hij op het punt stond zich met een mes op mij te gooien. Achteraf zat hij hierover aan de telefoon grapjes te maken met zijn vriendin. Ook meneer Verstuijven bezocht mijn kantoor vaker dan gewoonlijk. Telkens keek hij ongerust uit het venster. Toen ik bij Rita om raad ging, was het enige wat ze kon vertellen dat ik moest volhouden. Dat ik dat aan mezelf verplicht was.

Ik begon me ongemakkelijk te voelen, zo met mijn gezicht naar iedereen gekeerd. Ik had meer goesting om naar mijn muur te kijken en de scheuren in het plamuursel te contempleren, de afgekleefde stukken verf tellen of de plekken waar ooit nageltjes van scheurkalenders hadden gezeten. Ik had weer goesting om te raden of het nu Betty, Guido of meneer Verstuijven was die mijn kantoor naderde, louter afgaand op het geluid van hun voetstappen. Ik wilde me terug draaien naar de muur. Zelfvertrouwen, dat was niets voor mij.

De volgende ochtend gaf ik mijn bureau een draai van negentig graden, exact zoals Guido het mij had aangeraden.

Sindsdien zit ik terug met mijn gezicht naar de muur en kan iedereen me ongestraft een mes in de rug steken. Maar ik heb een brede rug. Laat ze maar steken.

Post a Comment

Your email is never shared. Required fields are marked *

*
*