Hieronder mijn nieuwe verhaaltje. Het verhaaltje dat ik voor Richard heb geschreven (zie postje van vroeger).
U kan het hierna lezen, maar het is lang. Misschien is het aangenamer om het te downloaden in pdf-formaat (onderaan).
Zoals steeds, hoor ik graag uw commentaar.
Danku, dokter Osiptsjoek
Ik sta bij de bakker in de rij. De gepensioneerde veteraan voor mij, een bibberend oud ventje met een wandelstok en een rij medailles op de borstzak van zijn versleten vestje, raapt zijn kleingeld bij elkaar om een wit brood te bestellen. Bruin brood kan hij niet meer kauwen. Nadat hij besteld heeft is het mijn beurt om een paar broodjes te bestellen en me te haasten naar het werk, want vandaag ben ik te laat opgestaan. De batterijtjes van mijn wekker hebben de geest gegeven. Dat is vandaag mijn excuus voor mocht ik te laat zijn. Alexander Viktorovitsj, mijn baas, gelooft me trouwens niet meer. Hij denkt dat er een andere oorzaak is waarom ik steeds te laat ben. En hij heeft gelijk. Ik ben eigenlijk te laat omwille van een nieuwe bezigheid die mij tot ’s morgens vroeg in de ban heeft. Ik ben het boek van dokter Osiptsjoek “Overwin jezelf!” aan het lezen, en doe oefeningen die ik heb verzonnen op basis van de voorschriften van dokter Osiptsjoek, doe rolspelen met mijn spiegelbeeld, doorpluis mijn garderobe op zoek naar een nieuw imago, doe gymnastiek om mezelf zelfzekerder te doen overkomen en word zodanig ingepalmd door deze bezigheid dat ik tot een gat in de nacht opzit en ’s morgens niet uit bed kan. En dan kom ik te laat op mijn werk, ies wat ik me nu niet meer kan permitteren want Alexander Viktorovitsj, mijn overste, heeft me deze week al twee schriftelijke waarschuwingen doen ondertekenen en bij een derde lig ik buiten. Daarom heb ik thuis niet kunnen ontbijten deze morgen en sta ik nu in de rij achter een paar broodjes, die ik onderweg naar het werk hoop op te eten.”
Mag ik even?” klinkt het plots aan mijn rechterkant en een dikke vrouw van einde veertig met opgekamd haar, een dikke laag tonale crème, zwart geverfde wimpers en turkooise oogschaduw duwt me met haar papperige kont achteruit en plaatst zich tussen mij en de gepensioneerde. Vrouwen! Wat haat ik vrouwen! Vrouwen houden helemaal geen rekening met de voornemens van andere mensen. Nu kom ik ofwel te laat op het werk ofwel blijf ik zonder ontbijt. Maar zonder ontbijt kan ik het niet stellen. Niet om dat ik zo een veelvraat ben, maar omdat ik op regelmatige tijdstippen moet eten van de dokter. Anders raak ik nooit van die maagzweer af, zegt hij. Ik hoef maar één maaltijd over te slaan om geplaagd te worden door vreselijke pijnen waarvan ik bijna flauwval. Het is een ramp. Hoe ik me voel, dat kan de vrouw voor me echter weinig schelen. Dat merk ik aan haar gelaatsuitdrukking. Die is hautain en onverschillig. Het is duidelijk dat zij zonder kabaal haar plaats achter in de rij nooit zal innemen en dat ze zal blijven staan, tot ze haar bestelling heeft geplaatst, tussen mij en de gepensioneerde, die overigens nog steeds zijn kleingeld aan het bijeenscharrelen is. Er is één schrale hoop: dat ze weinig zal bestellen. In dat geval doe ik straks de trappen van de metro iets sneller dan gewoonlijk en als het meezit ben ik dan net op tijd. Het boekje van dokter Osiptsjoek schrijft voor dat ik het verplicht ben aan mijn zelfrespect om de dingen niet zomaar over me heen te laten gaan. Ik kuch dus enkele malen om haar duidelijk te maken dat ze niet het einde van de rij heeft ingenomen en dat ik haar een kans geef om deze fout op een discrete manier goed te maken. Maar er volgt geen reactie.
De gepensioneerde heeft ondertussen zijn kleingeld bijeengeraapt en schudt het uit zijn hand op het onderbordje dat hiervoor naast het kassa-apparaat staat. Het witte brood steekt hij in een boodschappentasje en hij sjokt op zijn gemakje verder. Nu moet ik mijn kans grijpen, volgens dokter Osiptsjoek. “Mevrouw,” zeg ik tegen het schepsel in de leren jas, “zou ik u mogen vragen om …” Maar ik ben te laat. Voor ik mijn zin heb afgemaakt begint het mens te bestellen. “Zijn de taarten vers?” vraagt ze aan de verkoopster. “Ja, van vandaag,” antwoordt de verkoopster. “Ook deze hier?” vraagt de vrouw, wijzend naar een grote slagroomtaart met rijen kiwischijfjes en sinaasappelschijfjes en een cocktailkers in het midden. Ik kijk naar mijn horloge. Als ik de trappen snel afren, de juiste wagon inspring zodat ik sneller dan de rest de overstap kan maken en als ik er in slaag mij in de wagon te wringen voor de deuren toeklappen, dan ben ik misschien gered. “Deze? Ja,” zegt de verkoopster, “een half uur geleden binnengebracht.” “En de napoleon, is die vers?” “Die zou ik niet nemen, hij staat hier al drie dagen.” “Drie dagen? Waarom verkopen jullie die dan?” vraagt de vrouw. “Dat moet u niet aan mij vragen,” zegt de verkoopster, “ik sta hier gewoon achter de toog.” “Ach zo? Waar gaat het toch naar toe met dit land!” jammert de vrouw, “Niemand met een gevoel voor verantwoordelijkheid! Enkel overal oplichters en onbeleefde boertjes!” “Gaat u nog een bestelling maken?” vraagt de verkoopster, “Achter u staat nog een hoop mensen te wachten.” “Geef me die fruittaart dan maar,” zegt de vrouw eindelijk, “doe er wel een stevig touwtje rond, zodat ik hem niet laat vallen onderweg.” Ze haalt haar portefeuille uit haar handtas en legt een briefje van duizend roebel op het onderbordje. Opgelucht haal ik ook mijn portefeuille te voorschijn, klaar om mijn koeken te bestellen: één met champignons en één met platte kaas. Maar de verkoopster zegt tegen de dame: “Hebt u niet kleiner?” en opent de lade van haar kassaapparaat om te tonen dat ze geen briefjes heeft van honderd om haar terug te betalen. “Ik heb niet kleiner,” zegt de vrouw, “ik heb gisteren mijn loon ontvangen. Einde van de maand.” “Ik ben zo terug,” zegt de verkoopster en ze duwt de kassa naar voren om zich vanachter haar toog te wringen en op zoek te gaan naar wisselgeld. “Dat hoeft niet,” krijs ik hysterisch, “hier is geld,” en ik haal alle briefjes uit mijn portefeuille die erin zitten. “Ik zal die taart wel voor u betalen, mevrouw. Doet u er nog twee koeken bij, alstublieft. Eén met platte kaas en andere met champignons. Het wisselgeld mag u houden.” De vrouwen kijken naar mij als naar een gek. “Geef me dan ook nog zo een plastic tasje, als meneer toch betaalt,” zegt de vrouw in de leren jas.
Met mijn twee koeken in mijn plastic tasje haast ik me naar de metro. Ik herinner me de oefeningen die ik deze nacht heb staan doen voor de spiegel in de badkamer. Daarnet had ik ze moeten toepassen. Ik had de vrouw meteen op haar plaats moeten zetten. Ik had haar op beleefde maar onverstoorbare toon moeten zeggen: “Mevrouw, neemt u alstublieft uw plaats in achteraan de rij!”
Gelukkig is het vandaag rustiger dan gewoonlijk in de metro. Gisteren was het feestdag, Dag van de Beschermers van het Vaderland. Veel mensen maken de brug om uit te kunnen slapen na hun dronken excessen van de nacht tevoren of om deze juist te vervolgen. Bovendien is een hogere vorm van paraatheid uitgeroepen in verband met het risico van een terroristische aanslag in de metro. Maar ik denk dat geen grote rol speelt. De mensen moeten naar het werk, terroristen of niet. Alexander Viktorovitsj zal er zich alleszins niets van aantrekken. Die komt gewoon elke dag naar het werk. Om 9.30 zal hij in de gang staan met zijn uurwerk in de aanslag. Om te zien hoeveel ik vandaag te laat ben. Hij wil me al lang buiten, Alexander Viktorovitsj. Het enige waar hij mij op kan pakken is dat ik nu en dan te laat ben. Voor de rest doe ik mijn werk zoals het hoort. Hij heeft een wrok op mij sinds ik zijn theekop heb gebroken toen ik een stapel rapporten op zijn bureau legde ter ondertekening. Hij had toen zeer nors gekeken en gevraagd of ik zijn bureau zo snel mogelijk wilde verlaten. Sindsdien controleert hij me en kan ik niets goed meer doen in zijn ogen. Margarita, zijn secretaresse, vertelde me enkele dagen geleden dat die theekop een familierelikwie was, het enige resterende deel van een theeservies dat dateerde van voor de Russische revolutie, toen de voorouders van Alexander Viktorovitsj nog van adel waren. “Waarom zet hij dat dan op zijn bureau?” vroeg ik aan Margarita, en ze antwoordde me dat Alexander Viktorovitsj aan het verhuizen was naar een nieuw appartement en dat hij had gedacht dat de kop in grotere veiligheid zou zijn op zijn kantoor.
Ik krijg een elleboog in mijn zij geduwd bij het binnenstappen van de wagon. Een jong kereltje van nauwelijks veertien jaar duwt me opzij en gaat vlak voor de deuren staan, zodat hij als eerste kan uitstappen. Ik kijk hem afkeurend aan, maar hij ziet me niet. Of doet alsof hij me niet ziet. Ik wrijf de zere plek en neem me voor om dat kereltje eens ongezouten de waarheid te zeggen, getrouw aan de voorschriften van dokter Osiptsjoek. Het ventje heeft een muts zo ver over zijn voorhoofd getrokken dat het bijna niet opvalt dat hij koel en gevoelloos voor zich uitkijkt, naar de voorbijflitsende electriciteitsleidingen en ventilatiepijpen in de metrotunnel. Of naar zijn eigen weerspiegeling in de ruit, zijn koele blik aan het oefenen. Hij draagt een zwart nylon jasje en zijn handen zitten in zijn zakken. Hij heeft grote voeten voor zijn leeftijd. Dat valt me op. De grote voeten. Dat ventje zal zeker niet naar school gaan, maar zijn tijd doorbrengen in één van die computerclubs waar rond de klok gewelddadige spelletjes worden gespeeld om daarna met zijn vriendjes in de inkomhal van een appartementsgebouw lijm te snuiven uit een plastic zak. En dan in groep onschuldige voorbijgangers in elkaar te slaan tot ze geen tekenen van leven meer geven en het op een lopen te zetten. “Wel, ventje, weet je dat dat pijn doet?” wilde ik zeggen, maar in plaats daarvan begin ik zenuwachtig te kuchen en loop rood aan. Ondertussen is de wagon gestopt en word ik er door de rest van de passagiers uitgeduwd. Metrostation Kievskaya: hier moet ik toch overstappen, dus ik vind dat niet erg. Ik stap mee met iedereen. Wanneer ik naar de hoofden kijk van die vooruitschuivende massa’s, denk ik altijd aan pinguïns. Iedereen zwijgt. Aan de roltrap is het dit keer druk. De man achter mij duwt het tijdschrift dat hij aan het lezen is in mijn nek een een ander baant zich een weg met een rugzak die hij op ooghoogte heen en weer slingert, zodat de mensen uit de weg gaan. Ik wring mezelf de wagon in. Het is tien na negen. Nog vijf haltes te rijden, van Kievskaja naar Filjovsky Park, een rit van twaalf minuten. Het ziet ernaar uit dat ik tegen alle verwachtingen in op tijd zal zijn. Als dat het geval is, dan ga ik naar het klooster om een kaarsje te zetten voor de icoon van Heilige Jozef, Beschermheilige van de werkenden. Er is zitplaats in de wagon en ik plof me neer op één van de met bruin kunstleer overtrokken zitbanken. Maar ik heb me nog niet neergezet of ik merk dat ik niet de enige ben die pretendeert naar een zitplaatsje. Een oud dametje staat bedeesd te kijken en probeert zich recht te houden terwijl de trein schokkend op gang komt. Ik heb geen tijd om recht te staan of de kerel die naast haar staat, een norse vent van het type dat altijd overal commentaar op moet hebben en volgekropt zit met haat omdat hij in zijn leven ongeveer alle treinen heeft gemist, blaft naar mij: “Zou jij niet eens je plaats afstaan voor mevrouw hier?” Ik zet me beleefd recht en verdwijn naar de achterkant van de wagon, omdat ik met dergelijke types geen ruzie wil beginnen maken. Dat eindigt immers steeds met rake klappen. Tegen deze soort zijn zelfs de voorschriften van dokter Osiptsjoek niet opgewassen.
De kerel blijft me volgen met de ogen terwijl ik me een weg baan door het volk, ruggensteun vind in een hoekje van de wagon en mijn boekje te voorschijn haal uit het plastiek tasje met de koeken en me, zoals alle pendelaars, te isoleren van de rest van de wereld, te verdwijnen in de waanwereld van de literatuur. Deze week lees ik Mansfield Park van Jane Austen in de metro. De raadgevingen van dokter Osiptsjoek lees ik alleen maar thuis. Daar heb ik stilte voor nodig en ik zou bovendien niet willen dat iemand dat zou stelen. In Mansfield Park zit ik ergens in het midden. Ze gaan een toneelstuk opvoeren. Fanny voelt zich niet op haar gemak. Ze willen haar een rol doen spelen in dat theaterstuk. Ik voel me net Fanny. Ik ben ook iemand die liever in de schaduw blijft. Maar daar moet ik tegen vechten heb ik besloten. Dat is nodig om in deze stad te kunnen overleven.
Ik kan me niet concentreren vandaag. Het lukt me niet om te verhuizen naar de groene en ruime Engelse parken en kastelen waar de tijd traag loopt en de mensen beleefd zijn tegen elkaar. Ik voel de hele tijd hoe de blik van de norse kerel in mijn nek priemt.
Aan halte Koetoezovski Prospekt stapt een bedelaar de wagon binnen. Een Tsjetsjenië-veteraan met twee stompjes van benen. Hij zit op een plankje met vier wieltjes en duwt zich voort met zijn handen. Enkel zijn bovenlijf schiet over, en dat is in volle ornaat opgekleed: een zwart wit gestreept onderhemdje, een camouflagevest, een baret en enkele medailles. Voor hem op het plankje staat een lege doormidden gesneden kartonnen melkverpakking waar enkelen kleingeld in smijten, terwijl de veteraan zich een weg baant door de wagon. Wanneer hij de norse kerel voorbijrijdt wil deze niet uit de weg gaan. De veteraan rijdt enkele keren met zijn plankje tegen de man zijn benen en eindelijk laat de norse man hem door. “Ben jij wel een veteraan?” roept de norse man hem na, “Of heb je je benen verloren van teveel te zuipen?” Ik gooi vijf roebel in het kartonnen bakje. De veteraan schenkt geen aandacht aan de norse man en ook niet aan mij.
Aan station Bagrationovskaja wordt de veteraan afgewisseld door twee zigeunerjongetjes met een gedeeltelijk kapotte accordeon die in het midden van het gangpad een sentimenteel liedje afsteken: “Mama, mama, waarom staan er tranen in je ogen? Mama, ik heb niet tegen je gelogen! Mama, mama, laat me toch niet in de steek! Mama, mama, alsjeblieft!” Het jong met de harmonica is misschien zeven jaar en zijn broertje, dat een plastiek zak draagt voor het geld, nauwelijks vijf. Er hangt snot aan zijn neus. Ik heb ze al vaker gezien en steeds spelen ze hetzelfde liedje waar ik tranen van in de ogen krijg en ontroerd naar mijn portemonnee tast. Het liedje is gedaan en ze lopen door de gang met het plastic zakje. Iedereen gooit er geld in . Ze zijn populairder dan de veteraan. De norse man grijpt echter de kleinste van de twee bij de nek en pakt de plastic zak uit diens handen. Hij graait erin en haalt enkele bankbiljetten te voorschijn: “Aan het sparen voor een nieuwe Mercedes voor pappie, kleine krapuultjes?” “Nonkeltje, laat mijn broertje los,” smeekt het kereltje met de accordeon. “Niets van,” zegt de norse man. “Ik ga jullie afzetten bij de politieman. Jullie moeten op school zitten of in een tehuis, jullie kleine diefjes.” De kleinste van de twee begint te huilen.
Iedereen in de wagon kijkt de andere kant uit, alsof ze het gebeurde niet opmerken. Dat is altijd zo in Moskou. Er mag een lijk liggen in de wagon, er is niemand die er een vinger naar gaat uitsteken. Ik kijk dus ook de andere kant uit. Het vrouwtje waaraan ik mijn plaats had afgestaan, een klein verschrompeld kwetsbaar schepsel in een grijze wollen muts, een blauwe regenjas, een wandelstok en sportschoenen voor haar gezwollen voeten zegt met een fijn stemmetje, dun als een haartje, dat nauwelijks hoorbaar zou zijn mocht op dat moment in de wagon geen doodse stilte heersen: “Laat dat jongetje toch eens los.” “Waar bemoei jij je mee?” zegt de norse man en het is weer even stil in de wagon, op het gejammer van de jongetjes na. De woorden van dokter Osiptsjoek schieten me opnieuw te binnen. Het kost me een buitengewone inspanning om al mijn wilskracht bijeen te rapen en het volgende door mijn lippen te persen: “Ja, mevrouw heeft gelijk. Laat dat jongetje toch eens los.” Maar ik zeg het met mijn mouw voor mijn mond, kijkend naar de grond en eigenlijk heeft niemand me gehoord.
De trein mindert vaart want we naderen halte Fili. De norse man pakt de jongetjes en sleurt ze mee naar de deur. De jongentjes schreeuwen en stribbelen tegen.
Aan halte Fili gaan de deuren open en de norse man wil buitengaan, maar dat lukt niet. “Waar gaan wij naartoe?” klinkt een lage, zelfverzekerde stem. Ik kijk op. “Ik ga deze kereltjes naar de politie brengen,” zegt de norse man. “Neen, hoor,” zegt de andere, die nu de wagon is ingestapt en de norse man de wagon verder induwt, tesamen met de jongentjes. Het is een impressionante kerel, waarschijnlijk een paracommando, met brede kaakbeenderen en een gespierde torso. Iemand die respect uitstraalt. Dokter Osiptsjoek zou best tevreden zijn met een dergelijk exemplaar. “Laat die kereltjes los,” zegt de man, “jij hebt het recht niet om die vast te houden. Jij bent niet van de politie.” “Ik maak een burgerlijk arrest,” zegt de norse man, die niet van plan is te wijken. “Hier is je burgerlijke arrest,” zegt de andere en hij geeft de norse man een oplawaai waar diens oren van moeten toeteren. De norse man wil weerwerk geven, maar enkele mannen staan recht om de vechtenden uit elkaar te halen. Dezigeunerjongetjes maken gebruik van de verwarring om de wagon te verlaten.
De trein rijdt verder naar de volgende halte, Filjovski Park. Mijn halte. Die man, dat is mijn rolmodel, denk ik de rest van de rit. Hij heeft waarschijnlijk ook dokter Osiptsjoek gelezen.
Eindelijk sta ik op straat, aan de uitgang van metrostation Filjovski Park. Ik kijk op mijn horloge: zevenentwintig na negen. Ik stel me voor hoe Alexander Viktorovitsj in de gang staat met zijn horloge, hoe hij de seconden aftelt om me eindelijk buiten te kunnen gooien en zet het op een rennen. Ik ren het station uit en de Minskaja straat op, loop langs de kiosken, haal voetgangers in en duw ze uit de weg, spring over slecht geparkeerde auto’s, dit alles in mijn zware winterjas, terwijl ik met één hand mijn muts vasthoud. Ik loop over spekgladde trottoirs, bedekt met een centimetersdikke laag ijs, steek de straat over tussen toeterende wagens en sla af naar de Malaja Filjovskaja. Daar probeer ik de weg af te korten door te zigzaggen langs de plantsoentjes, te springen over ijzeren hekkensen wandelende honden om zo snel mogelijk de zeshonderd meter van de metro tot op mijn werk te overbruggen.
Ik spring over een ijzeren hekken en blijf er aan vast haken met mijn broekspijp. Ik ga vlak op de grond. Mijn plastiek zak met koeken vliegt een plas gesmolten sneeuw in. Mijn broek is gescheurd ter hoogte van mijn knie, die bloedt. Mankend vervolg ik de laatste meters naar mijn werk. Ik vervloek Alexander Viktorovitsj en denk hoe ik hem straks eens de waarheid ga zeggen, dat ik het niet meer neem om zo onder druk te worden gezet. Dat ik best eens een paar minuten te laat mag zijn. Dat ik mijn werk doe zoals het hoort, en dat is het belangrijkste. En dat hij die theekop maar niet op zijn bureau had moeten zetten op de plek waar ik steeds mijn rapporten neerleg. Alles zoals dokter Osiptsjoek het heeft voorgeschreven.
Hijgend als een hond en knarsetandend van de pijn trek ik de aluminium deur open. In het deurgat staat de grijze rimpelkop van Alexander Viktorovitsj naar me te staren, met zijn horloge in de aanslag. “En, Kirill Venjaminovitsj! Weer te laat?” zegt Alexandr Viktorovitsj. Ik kijk op mijn horloge: tweeëndertig na negen. “Ja, Alexander Viktorovitsj,” zeg ik en ik kijk beteuterd naar de grond. “Wat is vandaag je uitvlucht?” “De batterijtjes van mijn wekker hebben de geest gegeven.” “Je bent ontslagen, Kirill Venjaminovitsj.”
Bij het buitengaan sla ik de deur hard achter me dicht. Zo hard mogelijk. “Jij klootzak,” mompel ik tussen mijn lippen en schop een vuilbak omver.

4 Reacties
Wauw! Erg goed verhaal! Misschien is het jammer dat hij op het laatst geen goede ‘Dokter Osiptsjoek-opmerking’ maakte, hoewel het me niet heel erg stoorde… Heerlijk om te lezen!
Als je ooit nog eens naar een uitgever stapt met een verhaal van je, ben ik de eerste die het boek koopt!
Maar goed.. je had het al over een niet-veranderende persoon in je vorige logje..
Dat is al één koper! Mijn dag is goed.
en ja… sorry voor alweer geen happy end. ben hier volop aan het werken.