In de privé, 2

Hierna het tweede deel van In de privé (hier ligt deel 1). Ik hoop dat het een beetje in de smaak valt. Als er iets is dat niet werkt, laat het me dan weten. De commentaarbak is er om gevuld te worden. Veel leesplezier!

De volgende dag kwam ik niet naar mijn werk. Ik had ook niet gebeld om me ziek te melden. Ik bleef lekker lang in bed liggen en keek uit het raam naar de voorbij drijvende wolken.

Ik dacht aan mijn geslachtsdelen, die ook waren verbrand tijdens het incident van gisteren en hoe ik misschien geen kinderen meer zou kunnen krijgen. Misschien was dat maar goed ook. Ik wil geen kinderen die zich moeten schamen om hun vader.

De telefoon rinkelde.

Ik keek op mijn wekkerradio: het was tien uur. Normaal zou ik nu het nieuws hebben gelezen op het internet en mijn eerste kop thee op hebben. Betty zou mijn kantoor binnenlopen op haar dagelijkse ronde met de door Guido gelezen post. Op mijn bureau, in mijn inbakje, zou ze een aantal faxen, brieven of afgeprinte emails leggen.

Guido gebruikte geen computer. Voor hem bestond het netwerk niet. Betty moest alles voor hem uitprinten. Op de briefjes waren in zijn onleesbare geschrift opdrachten gekrabbeld, zoals: “Kunnen we hier iets mee aanvangen?”, “Uw mening hierover graag”, “Beleefd antwoordje, aub” of “Opvolgen”. Guido had me eens verplicht om aan een spammer te vragen in het vervolg zijn achternaam correct te spellen. Om dergelijk tijdverlies te vermijden gooide ik reclame meteen in de vuilbak. Af en toe kwam Betty een uur later mijn kantoor binnen gestormd en vroeg me achter één van de papiertjes, en die haalde ik dan met een zucht uit de prullenmand en streek ze plat met de palm van mijn hand. “Jou zouden ze een strijkijzer moeten kopen,” zei ze dan. Betty en flauwe grappen, dat is een ander verhaal.

Maar nu was mijn kantoor leeg en Betty zou zich afvragen waar ik bleef, zo zonder te waarschuwen. De papiertjes zou ze in mijn inbox gooien en ze zou denken aan het incident van gisteren.
Dan, bij haar hartsvriendin Tanja van de receptie, zou ze vragen of ik me ziek had gemeld deze morgen. Na het negatieve antwoord zou ze zich verontwaardigen om een dergelijk onbeleefd gedrag. Daarna zou Betty naar Guido stappen om hem te zeggen dat ik afwezig was zonder toestemming. Guido zou haar vragen om me op te bellen en te zeggen dat ik zonder een doktersbriefje niet moest afkomen.

En nu belde ze om te zien waar ik bleef.

Ik nam niet op.

Ik kroop mijn bed uit omdat ik honger kreeg. De telefoon bleef rinkelen, met korte tussenpozen. Ik begon te twijfelen. Was het mogelijk dat Betty me met een dergelijke hardnekkigheid zou proberen opbellen? Misschien was het iemand anders, met een noodgeval? Of Rita, om me te vragen hoe ik me voelde. Neen, niet Rita, besloot ik. Ze was nog steeds kwaad omdat ik haar niet had opgebeld toen ze thuis zat te rouwen om haar hond.

Ik nam de hoorn op en zei: “Hallo?”
“K?” klonk een vrouwenstem die ik niet meteen thuis kon brengen.
“Daar spreekt u mee,” zei ik.
“Bel ik niet ongelegen?”
“Neen. wie is het?”
“Herken je mijn stem niet meer?”

Stilaan drong het tot me door. De manier waarop haar stem omhoog ging als het gepiep van een muis bij het beëindigen van vragen. Het hysterische timbre van een vrouw die elk ogenblik in tranen kan uitbarsten en met de afwas beginnen smijten. De onbeschaamde nieuwsgierigheid.

“Katja?” vroeg ik.
“Ja, een verrassing?”
“Ik ben geen liefhebber van verrassingen,” zei ik. “Ik heb twee jaar niet van je gehoord. Zelfs geen antwoord op mijn kerstkaartjes. In de supermarkt doe je alsof je mij niet kent.”
“Ja, het mag misschien wel vreemd lijken dat ik je bel,” zei Katja. “Ik zou je willen ontmoeten, K.”
“For old time’s sake?” vroeg ik, in een poging leven te blazen in het smeulende vuurtje van mijn hoop.
“Dat zou je wel kunnen zeggen, ja,” zei Katja. “Ik moet je iets vragen. Iets delicaat.”
“Zeg maar op,” zei ik dapper.
“Over de telefoon gaat dat niet.”
“Wil dat zeggen dat je me wil ontmoeten?”
“Ja.”
“Wanneer?” zei ik met een nauwelijks verborgen drang.
“Vanavond, gaat dat?” vroeg Katja.

Ik kuste elk van de zevenentwintig gaatjes van de hoorn. Katja wilde me zien!

Minstens twee uur bracht ik door in de badkamer om me proper te schrobben, mijn tanden te flossen, het eelt van mijn voeten te schrobben en het vuil van onder mijn vingernagels te peuteren.
Daarna ging ik lang op zoek naar mijn strijkijzer. Ik vond het terug onder een stapel oude kranten in de bergruimte. Voor de gelegenheid deed ik een strik om. Mijn schoenen poetste ik op tot ik er mijzelf in zag weerspiegeld. Ik moest er piekfijn uitzien als ik een goede indruk op Katja wilde maken.

En of ik dat wilde!

Katja had met me afgesproken in de Prestopizza de Milano. Dat stak me een hart onder de riem. Het was immers hier dat ik met Katja romantische etentjes had doorgebracht, met een flesje valpolicella en een rode glycerine kaars tussen ons beiden, ik genietend van mijn favoriete calzone en Katja van haar eeuwige pesto lookbom, bediend door kelner Giovanni, die door het echte leven ging als Kader, maar dit doet niet terzake. Hij was zeer beleefd en daar hield ik van bij kelners.

Ik was in een opperbeste stemming toen ik de deur van de cantinetta openduwde en het Chinese bamboestokkenbelletje deed rinkelen in het halfdonkere restaurant. De vloer was bekleed met rood tapijt en de muren waren met goedkoop oneffen plamuursel bedekt, een know-how van Poolse zwartwerkende bouwvakkers, met liefde doorgegeven van vader op zoon.

Ik zag Katja niet meteen zitten. Achter de bar zaten een paar mannen te wachten op hun vrouw en te kijken naar pizza’s die omhoog werden gekatapulteerd door Antonio, de hete Siciliaan. Door de luidsprekers die ingebouwd waren in het geplamuurde gipskarton van muren en plafond, klonk melige Italiaanse pop, gezongen door slecht geschoren Italianen van het type dat loopt in jeans, witte truitjes recht op het bonvenlijf aantrekt en expresso’s drinkt op terrasjes met naast hun onderbordje een sleutelbos met BMW-logo, een gouden aansteker en een pakje Marlboro Lights. Italianen die zongen over allerlei weinig traditionele sexuele handelingen en posities, of er allerminst aan dachten terwijl ze zongen over iets anders, schijnbaar onschuldigs, zuiver en mooi.

Kortom, voor iemand die van de liefde had geproefd maar die er door werd afgewezen waren dergelijke etablissementen niet plezant. Ze brachten onnodige herinneringen naar boven en vervulden me met weerzin.

Ik keek nog eens de zaal in en in geen van de vrouwen herkende ik Katja. Aan één van de tafels zat een vrouw met haar rug naar mij gekeerd. Ze had Katja’s krullen, maar rechtover haar zat een vent. Eén van de tafels was bezet door gepensioneerde koppels die aan het kaarten waren, een ander door een luidruchtig gezelschap van secretaressen die een verjaardag kwamen vieren en het derde door een onuitgeslapen jong gezinnetje, met een peuter die van de ene naar de andere tafel liep en zijn moeder die er dan achteraan ging, zich verontschuldigend voor het ongemak.

Uiteindelijk zag ik Katja. Ze zat alleen aan een tafeltje in een donker hoekje van het restaurant, met een glas water voor zich. Ze was in een rouwstemming.

“Sorry voor Marc gisteren,” zei ze toen ik aanschoof aan het tafeltje.
“Dat is helemaal niks, “zei ik , “een paar ijsblokjes kunnen wonderen doen.”
“Weet je, K., ik ben hier met een opdracht,” zei Katja. Ze keek me diep in de ogen met de blik van iemand die ernstig wil worden genomen.
“Hoezo? Ik dacht dat je voor de herinnering dit restaurant had gekozen.”
“Neen, dat was een idee van Marc. Hij wilde zeker zijn dat je kwam.”
“Marc? Weet die van ons restaurant?”
“Ja, alhoewel hij het hier niet van zijn smaak vind.”
“Ach zo.”
“Marc wilde je vragen of je nog niets aan niemand had gezegd over zijn project met Guido.”
“Die containers? Ach, neen hoor. dat was om hem bang te maken.”
“Is het daarom dat we hier zijn? Moest je dat komen vertellen?”
“Ja. Marc vroeg me ook om je deze enveloppe door te geven om je te bedanken dat je hierover wilt zwijgen.”
Katja zette zich vlug recht en voor ik iets kon bedenken zat ik alleen aan het tafeltje, met een brandende kaars, een hafleeg glas valpolicella en een enveloppe.

6 Reacties

degerespecteerdemuzi:

Miljaar, weeral een kliphanger!

Klaus Gena:

Shit, ik dacht dat ik mooi afgerond had. Moet ik er dan nog een einde aan breien?
Wat dacht je van het volgende:
“De volgende dag stortte ik het geld op de rekening van Greenpeace, voor een properdere wereld.”
Trekt dat een beetje op een einde?

degerespecteerdemuzi:

Neen, dat lijkt meer op een begin: vijf maand later brengt K. zijn gift in op zijn belastingsaangifte, want hij denk: “zo stom ben ik ook niet, natuurlijk”. Vervolgens krijgt hij inspectie op zijn dak. Hij vindt er niet beter op dan onder te duiken en zich aan te sluiten bij een… dinges, iets illegaals alleszins. Gezien de tijdsgeest waarschijnlijk een islamitische terreurgroep, met een afghaans intermezzo. Daarna volgen verscheidene wraakacties waarin alle personages die tot nu in het verhaal zijn voorgekomen, figureren. Ze mislukken allen jammerlijk (de wraakacties, niet de personages)!
Voor een properder wereld blijken ondergrondse vuilbakken effectiever dan Greenpeace.

Joost Brummelkamp:

Nee hoor, geen kliphanger in gelezen. Een einde in je gekende “niets-wordt-ooit-wat-ik-ervan-gehoopt-had”-stijl.
Wel vond ik dat je wat veel voorbereidde op wat komen ging, en toen wat rap bij het eind was. Ik kan je niet precies vertellen wat er nog aan dat tafeltje had moeten gebeuren, maar ik mis iets. Het einde zelf, die laatste zin, vind ik wel weer mooi.
En je uitweiden over de verschillende eigenschappen en gewoontes van Italiaanse zangers valt voor mij in de categorie less is more. Heel geestig beschreven, maar niet op zijn plek hier.

En, los van mijn kritiek: weer een volledig afgerond verhaal op IEML! Dat is goed nieuws.

Klaus Gena:

Bedankt als altijd, Joost. Ik deel je ontevredenheid.
Blijven trainen is mijn devies!

Joost Brummelkamp:

Blijven trainen, ja. En daarnaast is er nog iets anders te doen, wat tijdens het trainen vanzelf wel tevoorschijn zal komen. Dat is het leren vertrouwen op je talent (want je hebt al mooiere stukjes dan dit geschreven, die alleen niet voldoende body hadden) en dan toch serieus werk maken van wat je aan het doen bent. Dat is een kunst, en ik denk dat daar een sleutel ligt voor je. Het beoefenen van het ambacht, zonder je erdoor te laten beknellen.
Nou ja, ik schrijf ook maar op wat er in me opkomt - heb nog nooit zelf een kort verhaal geschreven dat de moeite van het lezen waard was, dus neem het met de korrels zout die je passend vindt.

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*