In de privé, 1

Hierna de eerste helft van een nieuw verhaal. Heb heel het weekend zitten zwoegen op de dialogen.

“Hij is er, Rita,” zei ik en keek om naar haar. Rita speelde patience achter haar computer. Ze was depressief. Gisteren had ze haar hond gecremeerd, een Duitse Scheper van twaalf jaar oud.

Ik stond in het deurgat van Rita’s kantoor en hield een oogje op de receptie. Marc was gearriveerd, een oude collega die de overstap had gezet naar de privé, iets waar iedereen stikjaloers om was.

Tussen Marc en mij was niet alles koek en ei. Marc was met Katja gaan lopen, of eerder omgekeerd: Katja was achter Marc aan gegaan met een aan wanhoop grenzende hardnekkigheid.

Marc stond in het midden van de receptie, verhoord door Betty, de secretaresse van Guido, die viste achter nieuwtjes alsof ze geen contact met de buitenwereld had. Misschien was dat ook wel zo. Buiten een uurtje per dag pendelen zaten we allemaal ofwel op het werk achter de computer ofwel thuis voor de teevee, als vissen in een aquarium.

Hoedanook, Marc stond in de receptie en zag er duur uit. Hij kon zich nu Italiaanse leren schoenen en scheerwollen kostuums permitteren. Bij het binnenkomen had hij Betty drie zoenen gegeven, met de woorden: “Betty! Betty! Betty!”. Naar Bruno, onze steeds humeurige conciërge, die voorbijliep met een kan water voor de koffiemachine, riep hij: “Ha, die Bruno! Waar is het bier? Ben je overgeschakeld op water?” Bruno glimlachte zijn idiote glimlach.

Zo vermaakte Marc het dankbare publiek tijdens de vijf minuten die hem nog resteerden voor het rendez-vous met Guido, dat al een week tevoren was gepland.

Daar wisten we alles over, over dat rendez-vous.

Mark deed in ondergrondse vuilniscontainers. Om het straatbeeld te bevrijden van vuilbakken, rondslingerend vuil en onaangename geurtjes wilde hij alle vuilbakken vervangen door ondergrondse containers. Vuilnis moest je dan in een gat gooien en ’s nachts, wanneer iedereen sliep, zouden speciale vrachtwagens de containers komen legen. We stonden allemaal versteld van zulk een waanzinnig idee. Maar Marc was de man die in dergelijke onzin leven kon blazen en mensen mobiliseren. En daarvoor was hij hier. Voor overheidssteun. Voor Guido.

De twee bekokstoofden iets. Dat Guido niet met lege handen naar huis zou gaan, dat wisten we allemaal. Daarvoor waren die uitgevonden, die ondergrondse containers. Met corruptie in het achterhoofd.

Ik stond ook in de receptie, of beter, ik stond in het deurgat dat Rita’s kantoor met de receptie verbond, met mijn eeuwige kop thee in de hand, en gooide nu en dan een giftige opmerking over Marcs gedrag in Rita’s richting, toen hij mij opmerkte.

“K., amigo!” riep hij uit.

Ik had gehoopt in de schaduw te kunnen blijven, niet door hem te worden opgemerkt (en ik dacht dat hij me dat zou gunnen, deze rust) en was niet voorbereid op deze ontmoeting. Ik had de brug rond mijn ironische slotgracht niet opgetrokken (ironie kan vele aanvallen afketsen). Ik voelde me plots helemaal niet meer in mijn vel: mijn broek was te kort, mijn hemd verfrommeld, op mijn das zat een koffievlek en ik was een stukje baard vergeten afscheren. Mijn vel had me verraden. Het was weggelopen met de staart tussen de benen.

Marc omhelsde me en gaf me drie kussen, die ik beantwoordde op zijn met toiletwater besprenkelde wangen. Daarna nam hij enige afstand en bestudeerde me.

“Zo-zo, K.,” zei hij, “nog steeds op je ouwe plek.”

“Nog steeds op mijn oude plek,” reageerde ik.

“Katja vertelt veel over je.”

Marcs ogen fonkelden met een dergelijke spot dat ik meteen begreep wat Katja hem precies verteld had.

Ze had het graag en vaak (vooral tegen haar moeder aan de telefoon) over al mijn onhebbelijkheden die haar kleingeestige ziel ergerden. Hoe ik mijn vuile onderbroeken naast de matras liet liggen en hoe het haar enerveerde die achter mij op te kuisen. Hoe ik mijn vuile kousen ophing aan de rug van de stoel en Katja dat vergat en ging zitten en leunde op de stoel en hoe haar bloesje dan stonk naar mijn vuile kousen de dag erna op het werk. Hoe ik luidop kauwde op de toasten ’s morgens en te luid lachte in gezelschap wanneer er een grap werd gemaakt. Of hoe ik steeds een puist recht op mijn neus kreeg na een nachtje drinken en er dan niet uitzag.

“Katja?” zei ik, “Ze heeft jou waarschijnlijk verteld wat voor een loser ik ben.”

“Jongens, jongens, ben jij zwaar op de hand vandaag,” zuchtte Marc en schudde meewarig het hoofd.

Ik zweeg.

Betty was dichterbij komen staan.

“Waarom doe je zo plomp tegen Marc?” vroeg Betty.

“Doe ik dan plomp tegen Marc?” vroeg ik. “Ik heb nauwelijks iets gezegd!”

“Alsof je niet blij bent om hem te zien,” zei Betty.

“Is dat dan zo?”

Betty antwoordde niet.

“Ik wist niet dat nog zo diep zat,” zei Marc en hij keek me aan met een meevoelende blik.

“Die historie met Katja?” vroeg Betty, die nooit een blad voor de mond nam. “Hoe lang is dat nu al geleden? Twee jaar?”

“We zijn nu twee jaar samen, Katja en ik,” zei Marc en er verscheen een trotse glimlach op zijn gezicht. “Om het te vieren zijn we gaan skiën in Kitzbuehel.”

“Kitzbuehel? Wauw! Is dat Zwitserland?” vroeg Betty.

“Kitzbuehel ligt in Tirol,” zei ik tegen Betty, “daar gaan mensen op vakantie die niet weten wat doen met hun geld.”

“Let op je woorden, beste vriend,” zei Marc. “Vergeet niet dat ik je collega niet meer ben.”

“Excuseer me, waar hadden jullie twee het net over?” zei ik. “Over hoe jij er met mijn vrouw vandoor bent gegaan?”

“Doe niet flauw, man. Ik ben er niet vandoor gegaan met ‘je vrouw’. Jullie relatie was doodgebloed en jij stak je kop in het zand. Je doet dat nog steeds. Jij bent bang om te leven.”

“Marc heeft gelijk,” zei Betty, “het is je houding tegenover het leven die fout is.”

“Wat weet jij van het leven?” vroeg ik aan Betty. “Je hebt niet eens een vent. Wat doe jij ’s avonds na het werk? Tegen de muren praten? Of belt Guido je op met allerlei opdrachten?”

“Kalm, K., kalm,” zei Marc, “loop niet zo hard van stapel.”

“Waar bemoei jij je mee?” riep ik. “Moet jij niet wachten op een gesprek met mijn overste? Moet je hem geen containers verlappen? Marchanderen over het smeergeld dat je hem hiervoor te goed bent, zodat we binnen een half jaar kunnen genieten van je ondergrondse vuilbakken?”

Ik duwde Marc opzij om weg te gaan, naar mijn kantoor, maar Marc liet me niet gaan. Hij hield me beet aan mijn arm en zei:

“K, wees niet onredelijk. Waarom ben jij zo rancuneus? Jullie waren niet voor elkaar gemaakt. Echt. Ik draag geen enkele schuld.”

“Laat me los, Marc,” zei ik. “Je hebt gelijk. Het is mijn fout. Ik laat me steeds onder de voeten lopen. Misschien is het tijd dat ik eens mijn mond open doe.”

Marc liet me niet los. Hij keek me aan met opeengeklemde kaken.

“Ken je Tobias nog?” vervolgde ik, “Tobias De Schepper? Ik ben hem onlangs tegen het lijf gelopen in de Dolle Friet. Hij was blij om me te zien. Weet je waar hij werkt? In de Randgazet. Hoofdredacteur. Hij heeft me zijn visitekaartje achtergelaten. Ik moest bellen als ik iets interessants te vertellen had.”

Ik voelde dat het bloed naar mijn kop steeg en dat ik begon te hyperventileren. Ik heb dat steeds in dergelijke situaties. Mijn vingers klemden zich rond mijn tas thee. Het was een grote tas en ik was er zeer aan gehecht. Ronald, de voorganger van Guido, had ze achtergelaten na zijn dood. Ronald was een workaholic. Hij bleef altijd tot ’s avonds laat werken. Op een dag, op een maandag na een lang weekend, vonden we hem terug dood op zijn bureau. Naast hem stond de kop die nog half leeg was. Sindsdien drink ik er uit.

“Probeer maar te bellen naar Tobias, jij misselijk ventje,” siste Marc en hij gaf een ruk aan mijn arm.

Mijn kop thee belandde op mijn broek. Het hete water drong zich door mijn kleren en ik voelde hoe heel mijn buik in brand stond. Ik haastte me naar de keuken, knoopte mijn hemd los en probeerde de pijn te stillen met stromend water.

Ik hoorde hoe Guido de receptie binnenkwam en Marc hartelijk begroette. Marc deed of er niets gebeurd was. Betty haastte zich om de deuren open te doen voor Marc en Guido, die zich terugtrokken in Guido’s kabinet voor een confidentiële tête-à-tête.

6 Reacties

  1. Gepost 26 February 2007 om 20:48 | Permalink

    Smakelijk verhaal, Klaus. Mooie sfeertekening, en fijn met die vuilcontainers. En daarnaast weer allemaal mooie Vlaamse uitdrukkingen leren, beginnend bij de titel. Ben benieuwd wat hier van gaat komen. Is deel twee al klaar?

  2. Klaus
    Gepost 26 February 2007 om 21:20 | Permalink

    Deel twee is nog niet klaar, spijtiggenoeg.
    Ben net begonnen in le Comte de Monte-Christo en heb nog 1400 pagina’s te gaan.
    Het is verslavender dan ik dacht.
    Maar elke middag zit ik in de shoarmatent en schrap ik zinnetjes. hier en daar krabbel ik iets tussen de regels.
    Misschien einde van de week tweede deel?

  3. Gepost 27 February 2007 om 7:43 | Permalink

    Wat een fijne hopeloze treurigheid. Doet me denken aan de films van Alex van Warmerdam.

  4. Gepost 27 February 2007 om 9:36 | Permalink

    Ja, het is een relaas van mijn lijden.

  5. Gepost 1 March 2007 om 22:49 | Permalink

    in de prive: ik dacht dat de hoofdfiguur in een roddelblad zou figureren. maar het bleek veel mooier.

  6. Gepost 3 March 2007 om 15:48 | Permalink

    Mooi! Een vergeten stukje baard… (Andermans ellende is een troost op de zaterdagmiddag.)

Eén Trackback

  1. Door Ik en mijn Lada » In de privé, 2 op 6 March 2007 om 16:29

    [...] Ik en mijn Lada De homepage van Klaus Gena « In de privé, 1 [...]

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*