A., de enige persoon op het werk aan wie ik mijn liedjes laat horen, had commentaar op Naar Mars. Ik had hem het liedje deze morgen doorgemaild.
Toen ik zijn kantoor binnenkwam en vroeg wat hij er van vond, zei hij: “Fantastisch, maar dat van die sprong in het zwembad, dat klopt toch niet, hoor.”
“Hoezo? Hij bevrijdt zich en dan zwemt hij naar boven. Ik dacht ook eerst dat ik ‘duik’ moest plaatsen.”
“Neen, je begrijpt me niet. Harry Houdini die rukt zich niet los. Superman rukt zich los. En de Hulk. Heb jij ooit Harry Houdini bezig gezien? Houdini hangt ondersteboven, vastgebonden in een corset en maakt slangachtige bewegingen om zich los te wringen.” A. was ondertussen rechtgestaan en deed de Houdini-bewegingen na achter zijn bureau.
“Daar heb jij weeral eens gelijk,” zuchtte ik. “Heb je heel mijn liedje ondermijnd. Nu mag ik alles gaan herschrijven.”
A. had zich ondertussen terug neergezet en bestudeerde mijn tekst, die uitgeprint naast zijn keyboard lag.
“En heb je er ook naar geluisterd?” vroeg ik.
“Jazeker,” zei A. en hij zocht mijn emailtje, klikte erop en even later klonk de muziek door het luidsprekertje van zijn pc.
Hij draaide zich op zijn kantoorstoel en begon mijn stem na te doen, speelde op een denkbeeldige gitaar en trok een zure smoel.
Hij deed me lachen.
“Ja, een beetje minder pathos had ook wel gemogen,” zei ik.
A. stopte met uitbeelden.
“Blijven voortdoen. Dat stroomlijnt zich wel,” zei hij.
Eén Reactie
Toch niet alleen ellende op zo’n kantoor.