Aan de roltrap stond een dakloze met krukken. Hij durfde niet naar beneden. We liepen hem voorbij, zoals de drommen pendelaars voor ons.
Toen ik de trap opstapte keek ik naar hem om. Hij zag er hulpeloos en angstig uit. Mijn hart liep vol met medelijden en ik voelde dat ik hem moest helpen afdalen.
Maar in plaats daarvan bleef ik staan op de roltrap en voelde ik me een lul. De dakloze verdween tussen de pendelaars die de roltrap vulden. Niemand die hem een handje toestak.
Ik haastte mij onze boekhouder achterna, die al bijna de wagon was ingestapt van onze volgende trein. Ik zei hem dat ik die dakloze had moeten helpen en dat hij krukken droeg en dat ik me nu schuldig voelde.
2 Reacties
was er iets fout met de lange versie?
Ja, die vond ik te lang. Wat ik eigenlijk wilde zeggen stond volgens mij in de laatste paragrafen, dus heb ik de eerste er gewoon afgekapt.
Ben ik te kritisch?