Sergej en de zak met geld

Hieronder post ik de volledige tekst van elk min of meer afgewerkt hoofdstuk. Ondertussen zijn dat er twee, maar het moeten er vierendertig worden, als ik mijn eigen mag geloven. Ik twijfel natuurlijk aan mijn persoonlijke volharding, dus de toekomst zal uitwijzen hoever ik geraak.

Het einde van hoofdstuk twee heb ik trouwens enigszins aangepast in vergelijking met wat ik de voorbije dagen heb geschreven.

Even recapituleren dus:


Inhoudstafel

  1. Sergej rijdt verbitterd rond
  2. Een schrijvende nachtwaker

1. Sergej rijdt verbitterd rond.^

Het Smolenskaja plein, een verkeersknooppunt in het centrum van Moskou, was van drie kanten met wagens volgestouwd. Het verkeer zat hopeloos strop en het was niet duidelijk waarom. Enkele chauffeurs verlieten hun wagens of kropen op hun dak om te zien waar het fout zat, anderen toeterden chagrijnig om aan hun onmacht een uitlaatklep te geven en de rest zette in boeddhistische kalmte de motor uit.

In de file stond Sergej met zijn gele Lada. Hij ondervond al een hele week de Moskouse files aan den lijve. Het interieur van zijn wagen was in tussentijd veranderd in een kampeerplaats. De vloer en de zetels waren bezaaid met kruimels, visgraten en andere etensresten, lege flesjes en blikjes, krantenflarden en doorbladerde tijdschrijften. De passagierszetel was er het ergst aan toe. Sergej had immers de gewoonte er zijn middagmaal te verorberen terwijl hij de krant las of naar de radio luisterde, zich ergerend aan:

  1. de consumptiemaatschappij,
  2. de multinationals,
  3. de democratie,
  4. de laatste drie Russische presidenten,
  5. de buitenlandse politiek,
  6. de lonen in de openbare sector,
  7. de corruptie,
  8. de torenhoge vastgoedprijzen,
  9. de apathie bij de bevolking,
  10. Moskou in het algemeen en
  11. zijn vrouw in het bijzonder, des te meer nadat ze hem een half jaar geleden zonder een rooie duit de straat op had gezet.

Sergej keek verstrooid naar het verkeerslicht in de verte en de hem omringende voertuigen. Achter hem ademde een Mazda in zijn nek. Achter het stuur zat een kauwende macho. Voor Sergej brandden de remlichten van een Lexus. Een chef gewapend met Bluetooth-garnituur deelde druk instructies uit. Aan weerszijden van Sergej ronkten jeeps. Links een zwarte Geländewagen: twee kaalgeschoren bandieten die moppen tapten. Rechts een Pajero Pinin met een blonde del die in de achteruitkijkspiegel haar oogschaduw bijpleisterde.

Sergej stond versteld van de exponentiele groei van het wagenpark. Rondom nieuwe wagens. Binnenkort zou iedereen om de drie jaar zijn auto vervangen, zoals in het Westen. Echte wrakken, zoals de Lada van Sergej, waren gedoemd tot uitsterven. De jacht op oud schroot was geopend, waarvan getuige de kontduwende Mazdamacho achter hem. Waarom was niet één merk voor iedereen voldoende?

Lada’s bijvoorbeeld, de beste wagen ter wereld!

Toen zag Sergej een flinterdun wolkje stoom van onder zijn kapoot opstijgen. Hij keek links van zijn stuur, naar de drie ronde tellertjes, één voor de benzine, één voor de oliedruk (steeds onder nul), en één voor de temperatuur van de koelvloeistof: 120 graden! Hij zette de motor stil en net op dat moment ging het rode licht, waar hij al die tijd zo gebiologeerd naar had zitten staren, aan het pinken, sloeg het over op oranje en daarna op groen.

De eerste wagens trokken op en de file kwam als een serpentine op gang. Tot het de beurt was aan Sergej. Daar brak de serpentine af, als het manke schakeltje in een ketting. De schakeltjes rechts en links van Sergej reden lustig verder, in tegenstelling tot de schakeltjes achter hem. De machomazda stijgerde als een hengst gevangen met een lasso. Maar dat haalde niet veel uit. Sergejs Lada stond beschaamd te blinken op de middenste rijstrook, met achter zich aan een sleep woedend toeterende chauffeurs.

Sergej probeerde middels de genezende kracht van de houten bolletjes van het zetelmatje zijn kokende bloed te kalmeren. Waarom toeteren die dieven en oplichters? Die landverraders in hun buitenlandse wagens?

“Even geduld,” zei Sergej aan de zonnebril in de Mazda en toonde hem tussen duim en wijsvinger een zwart plastic kogeltje met blinkende loden topjes, een zekering van acht ampère die voor zijn ventilator te licht was gebleken. Sergej had het euvel snel gedectecteerd. Als je lang met een Lada rijdt ken je zijn zwakke plekken. “Even een nieuwe boven halen!” riep Sergej en hij zwaaide zijn koffer open, die tot boven gevuld was met stapels aan elkaar geniet papier. “De wraak van Zakvaskin” stond op de voorpagina geschreven van elk bundeltje dat Sergej de straat op kwakte. De zekeringen slingerden rond ergens onderaan, naast de startkabels, de jerrycan, de gevarendriehoek, het apotheekje, allerlei bouten, stukjes koord, zwarte vodden, een plastic zeil en een steen die zijn auto moest beletten weg te bollen op scherpe hellingen.

Het duurde een tijdje eer Sergej genoeg drukwerk de straat op had gekieperd om aan de zekeringen te kunnen. De bundels, negenenzeventig kopieën van zijn manuscript, had hij twee weken geleden afgehaald bij de drukker. Het waren er eerst honderd. Eenentwintig stuks had hij afgeleverd bij het lijstje met uitgeverijen van in de gele gids. De rest ging hij verdelen onder vrienden, kennissen en klanten of gebruiken als onderleggertjes, servetten, notapapier, vliegertjes of bootjes. Hij had er immers teveel besteld. Maar dat deed er niet toe: Sergejs beste vriend Volodja had de oplage betaald. Volodja had hem het geld in zijn hemdzak gestopt tijdens hun wekelijkse bezoek aan de banja, nadat Sergej hem in de kleedkamer het eerste hoofdstuk van zijn roman had voorgelezen.

Nu lagen de pakjes op het asfalt en Sergej peuterde een zestien ampère zekering uit het pakje. Nog even en zijn auto was weer rijdensklaar en de staart wagens achter hem kon opgelucht zijn rit vervolgen. Mazdamakker was echter niet bij de pakken blijven zitten terwijl Sergej rommelde in de kofferbak. Sergej had tijdens de zoektocht het nerveuze gemaneuvreer van de Japanner gevoeld in zijn nek .

Kameraad Mazda toeterde.

“Zie je dan niet dat ik bezig ben?” riep Sergej geïrriteerd naar de zonnebril. De Mazda stond monsterlijk te grommen, wachtend op een minuscuul gaatje in de de stroom wagens aan weerskanten van Sergejs Lada. Het beest was klaar om zich in de krioelende massa wagens te werpen en weg te snellen, de vrijheid tegemoet. Mister Mazda toonde aan Sergej een middenvinger in leren handschoen (met afgesneden vingertoppen) en articuleerde achter zijn venster een woord uit twee lettergrepen: “Lo-ser!” En dan gaf Hij-Mazda huilend gas en reed met gierende banden zijn banningsoord uit, met zijn laagprofielband recht over Sergejs voet.

Maar Sergej had geen pijn. Hij droeg sinds zijn kindertijd schoenen op de groei. Op zijn zestiende droeg hij vierenveertig, overtuigd dat zijn schoenen binnenkort te klein zouden zijn. Maar meer dan tweeënveertig zat er niet in. Uit gewoonte was Sergej vierenveertig blijven dragen.

Hij slingerde een manuscript naar de misdadiger en riep: “Jouw beurt komt nog wel, mazdaminkukel!”

2. Een schrijvende nachtwaker.^

“Een vette punt!” riep Sergej uit en hij zette een streep onder de laatste bladzijde van het twintigste gelijnde schoolschriftje met groene omslag dat hij de voorbije zes maanden had volgepend. Hij had de creatieve daad voltrokken in een stinkend hok, opgetrokken uit golf- en spaanderplaat, houten latten en rollen bitum. Het hok stond aan de ingang van vodkafabriek Zdorovo, waar hij werkte als nachtwaker.

Sergej had zijn boek geschreven zittend op een doorgelegen matras, diep gebukt over een houten kist onder het licht van een gloeilamp, sigaretten rokend en nippend van lauwe groene thee. Tijdens het schrijven luisterde hij met een half oor naar het geblaf van de waakhond die in de koer aan de ketting lag. Sergej was bang van het beest. Vanop een veilige afstand smeet hij er elke avond een emmer verse botten en beenderen naar en wachtte hij tot het beest hartstochtelijk grommend aan het kauwen ging om zijn kom met water te verversen. Hiervoor gebruikte hij een tuinslang die onder druk stond en zeker vijf meter ver spoot.

Tijdens het schrijven pauzeerde Sergej elk uurtje voor een ommegang met zaklamp langs het administratieve gebouw, een saaie witgeverfde betonnen kubus. ’s Nachts brandde af en toe licht in het kabinet van de directeur, wiens twee witte mercedessen dan op de koer stonden geparkeerd. Eens het gebouw voorbij liep hij verder langs de omheining uit gewapend beton, met bovenop rollen NAVO-prikkeldraad (vervaarlijke prikkeldraad met scheermesjes in plaats van prikkels). Schijnwerpers verlichtten de prikkeldraad, zodanig dat geen enkele poging tot schenden van het territorium onopgemerkt voorbijging. Van het magazijn, het voornaamste voorwerp van Sergejs bewakingskunst, waren de ijzeren poorten ’s nachts potdicht. Er kon geen muis binnen. De flessen vodka, hoog opgestapeld in paletten vol kartonnen dozen, bevonden zich in veiligheid. Na zijn rondgang keerde Sergej terug naar zijn doorrookte hok, dat stonk naar zweet en vuile kousen.

Sergej was in dit hok beland nadat zijn vrouw hem aan de deur had gezet omdat hij lui was en ongemotiveerd: drie jaar na zijn ontslag had hij nog altijd geen werk gevonden. Zijn vrouw diende alleen het hele huishouden op haar schouders te torsen. Aan het einde van haar Latijn had ze Sergej met nauwelijks twee koffers kleren in de hand de straat op geschopt. Anderhalve week bracht hij door in zijn gele Lada, tot de eerste nachtvorst hem belette te slapen. Wanhopig klopte hij toen aan bij zijn vriend Volodja, die hem aanraadde een kamer te huren en hem enkele dollarbriefjes in de hand stopte. Via een kennis zette Volodja hem aan het werk als nachtwaker.

En toen was Sergej zijn boekje beginnen schrijven. Het was een misdaadroman met vele sappige details. Om zich af te reageren. Hij merkte dat hij zich beter voelde nadat hij op het zwartwitteeveetje naar het nieuws had gekeken en aan het schrijven ging en één van de vele corrupte politici, hiellikkende ambtenaren of zielloze oligarchen een kopje kleiner liet maken door een wreker uit het volk.

Zijn depressie werd er dan enkele grammen lichter op. Hij voelde zich even niet meer de mislukkeling die de bal gemist had.

De wreker was een gewezen politieman, naar alle canons van het genre. Wie kan er nu meer recht hebben op vergelding dan iemand die tevergeefs volgens de regels probeerde te werken?

In één lange doorrookte adem pende Sergej het bittere verhaal neer van Pjotr Alexejevitsj Zakvaskin, ontslagen majoor van de Russische oproerpolitie. Het verhaal speelde zich af in het jaar 2050, in een gedecimeerd Rusland dat bestuurd werd door een kloon.

Sergej was al een tijd geleden op het idee gekomen om een roman te schrijven. Nog als werkloze pijnigde hij dagenlang zijn hersenen over een raadsel dat al ettelijke generaties nietsnutten had bezig gehouden: hoe kan een mens rijk worden zonder zijn gat op te lichten?

Na lang wikken en wegen besloot hij munt te slaan uit zijn diploma filologie, dat vodje waar hij de laatste vijftien jaar enkel zijn achterwerk mee had kunnen afvegen. Zijn jarenlange ervaring als bibliothecaris garandeerde hem immers enkel een plaatsje achter de lopende band, als straatveger of handlanger op een bouwwerf. Een dergelijke carrièrespong zag hij niet zitten. Uit principe. Hij zou een bestseller schrijven, veel geld verdienen en het zelfrespect terugwinnen dat hij tijdens de algehele verloedering van de jaren negentig was verloren.

Maar hij begon maar niet aan zijn werkplan. “Het zit allemaal in mijn kop!” riep hij tegen zijn vrouw telkens ze zeurde dat ze het zat was om hem te onderhouden. Deze creatieve verlamming duurde enkele jaren. Tot op een dag Marina, Sergejs echtgenote, bitter en ontgoocheld haar man aan de deur zette. De enige woorden die Sergej op dat moment op papier had staan, waren de titelwoorden: “de wraak van Zakvaskin”.

Op de titel was hij gekomen na een grondige studie van de planken in de boekenwinkels, de tafels van de marktkramers en de vitrines van de stationskiosken, die allen volstonden met detectives die verkochten als hete broodjes. Bovendien waren ze zo erbarmelijk geschreven dat Sergej dat clubje amateurschrijvers zeker een poepje zou doen ruiken.

Het verhaal dat Sergej had bedacht zat als volgt in elkaar: majoor Zakvaskin moest op zijn eentje wraak nemen voor de systematische uitroeing van het Russische volk, een misdaad die tegen 2050 zo goed als voltrokken was. Een groepje cynische vetpotten had de bevolking gereduceerd tot zestig miljoen, net voldoende om de olie-, gasvelden en pijplijnen naar China, Europa en Japan te bedienen. Zakvaskin zou wraak nemen op de moordenaars. Hij barrikadeerde zich op de bovenste verdieping van één van de vele verlaten woonblokken die Moskou ondertussen telde en voedde zich met gerookt kloonvlees. Meest van al wilde Zakvaskin Gorelytsj vermoorden. Gorelytsj was auteur van de doctrine die had geleid tot het uitroeien van de bevolking en daarom het meest verlangde doelwit. Gorelytsj was zo goed als onaanraakbaar. Hij werd bewaakt door tien regimenten en leefde in een huis achter tien omwallingen.

Met een wapenarsenaal dat hij had gestolen van een beruchte verzamelaar liet Zakvaskin een spoor van beestachtige moorden na, steeds een stapje hoger zettend in de echelons van de macht. De wurggreep rond Gorelytsj, die zijn leger bondgenoten angstwekkend snel zag schrinken, werd steeds strakker.

Zakvaskin werd door de tegenstander gevat in het schuilhol van Gorelytsj. Als een wild dier werd hij tentoongesteld aan het televisie kijkende publiek en publiek geëxecuteerd. Gorelitsj had gewonnen. Sergej was immers een pessimist.

Maar nu was Sergejs werk voltooid. Het laatste schriftje was volgepend en het woord “Einde” stond op de laatste bladzijde, in grote, vette letters. Hij pakte het stapeltje verfomfaaide groene schriftjes van de omgekeerde kist en liet het pakje in de plastic zak glijden waarin hij zijn werkkledij bewaarde. Zijn balpen gooide hij ook in de zak.

Nu was hij geen nachtwaker meer: hij kon zichzelf gerust “schrijver” noemen.

6 Reacties

  1. Gepost 12 May 2006 om 9:26 | Permalink

    Even recapituleren…

  2. Gepost 1 June 2006 om 12:30 | Permalink

    Ik was dat misschien vergeten zeggen, dus herhaal ik het: “Alle commentaar is welkom!”

    Behalve negatieve of ‘opbouwende’ kritiek, wel te verstaan.

  3. Gepost 2 June 2006 om 16:21 | Permalink

    wij wachten op het vervolg!

  4. degerespecteerdemuzikanten
    Gepost 4 June 2006 om 22:27 | Permalink

    wij ook!

  5. Gepost 5 June 2006 om 12:10 | Permalink

    Dat mag ik horen!

  6. Gepost 7 June 2006 om 11:37 | Permalink

    Ter informatie: ik heb de laatste tijd weinig tijd overdag om iets te produceren en ook ’s avonds heb ik het druk.

    Voorlopig dus een kleine stilte op ikenmijnlada.

    Geniet ervan.

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*