Over hoe Sergej zijn best doet om terug op een goed blaadje te komen. Het tweede stukje in een liefdesverhaal over Sergej en Marina. Hier ligt het eerste deel.
De volgende ochtend stond Sergej op tegelijkertijd met Marina. Toen ze naar haar werk vertrok gaf hij haar een passionele afsheidskus. Voor het eerst sinds lange tijd was hij goed gezind en vol energie.
In zijn onderbroek rende hij door de gang heen en weer, daarna ging hij liggen op de vloer van de woonkamer en deed hij twintig pushups, waarna hij zijn benen onder de divan stak en vijftig crunches deed, om tenslotte een kwartier te schaduwboxen in de badkamer.
Hijgend ging hij staan voor de spiegel naast de kapstok aan de voordeur en trok hij grimassen.
“Ik ben een superchauffeur!” riep hij tegen zichzelf in de spiegel en sloeg zich trots op de borst. “Met mijn Lada rijd ik sneller dan een Mercedes!”
“Een professioneel als ik kan zo aan de slag,” dacht Sergej. “Moskou loopt vol met petroleummillionairs op zoek naar een privé-chauffeur.”
Sergej besloot de dag in te zetten met een goed ontbijt om op krachten te komen. Het was een eeuwigheid geleden dat hij nog een omelet met spek had gegeten.
Even stond hij besluiteloos voor het gasfornuis en keek naar de knopjes, nam een pan op, bestudeerde ze langs alle kanten, maar zette ze terug toen hij besefte dat hij zelfs geen omelet kon bakken.
“Geen probleem!” dacht Sergej. Wie eet er nu omelet ’s morgens? In de kast ligt wellicht veel lekkers!”
Na enig gescharrel door de keukenkasten diende hij zich tevreden te stellen met een kromgetrokken korst bruin brood, een restje confituur op de bodem van de pot en een tas thee uit een zakje dat al meerdere malen was gebruikt.
“Niet getreurd! Straks koop ik in de winkel vers brood, een pot konfituur en thee en streep ik de advertenties aan achter een menselijk ontbijt!” dacht hij.
Voor hij de straat op ging moest hij zich wassen. Al lang had hij zich niet meer geschoren of gewassen, hij zat immers hele dagen thuis. Hij waste zijn vettige haar, schrobde zijn oksels staand boven het bad en kletste een handvol koud water over zijn gezicht.
Tijdens het scheren merkte Sergej dat het mesje niet alles wegscheerde. Hij raakte zijn wang aan. Op sommige plekken was zijn baard verdwenen, op andere niet. Hij ging op zoek naar vervangmesjes, maar die waren op. In de spiegel zag hij hoe haarloze vlekken hem er deden uitzien als een schurftpatiënt.
“Dat is het einde van de wereld niet!” dacht Sergej. “Ik slinger er gewoon een sjaal rond en niemand die er iets van merkt!”
Zijn kleren lagen mooi opgevouwen in de kleerkast. Hij had ze in geen drie maanden meer gedragen omdat hij zich thuis voortbewoog in een blauw trainingspak. Sergej besloot zich om te kleden om de straat op te gaan. Hij was echter zodanig verdikt dat zijn broek niet meer dicht kon.
“Geen ramp!” dacht Sergej. “Dan trek ik gewoon mijn trainingsbroek terug aan! Die is met een rekker.”
Rond zijn nek wikkelde hij de sjaal waar hij lang naar had lopen zoeken en ging de deur uit.
In de winkel bestelde hij een brood, thee en een pot confituur. De krant zou hij later kopen.
“Dat is vijfendertig roebel,” zei de verkoopster.
Sergej scharrelde in zijn zakken. Eerst in zijn linkerbroekzak, maar daar vond hij enkel de sleutels van het appartement.
“Dat is niet aangenaam, de mensen zo doen wachten in de rij,” dacht Sergej.
Daarna zocht hij in zijn rechterbroekzak, maar daar was enkel een zakdoek, een aansteker en een flessenopener.
“Dat is een rottige zaak,” dacht Sergej, “en mijn dag was nog zo goed begonnen!”
Hij voelde naar de zakken van zijn jas. Maar zijn jas had geen zakken, want hij droeg een trainingspak.
“Wat ben ik toch een loser, waarom heb ik nooit geluk?” dacht Sergej wanhopig.
Ondertussen stond al een hele rij zuchtende oude vrouwtjes aan de kassa en ook de verkoopster keek hem ongeduldig aan.
En plots voelde Sergej zich een idioot, alhoewel hij onschuldig was, want zijn vrouw had hem geen geld gegeven ’s morgens.
“Waar sta jij naar te gapen!” riep hij naar de verkoopster en verliet met slaande deuren de winkel.
Gelukkig stonden er aan de ingang van de winkel enkele mannen pintjes te drinken, mannen met wie hij vroeger, toen hij nog op straat kwam, wel eens pintjes pleegde te drinken. Hij had ze dikwijls getrakteerd want hij was toen de enige onder hen met een vaste job.
“Geef me eens vijf roebel voor de krant,” zei Sergej nors aan één van hen, een kerel in een vuil trainingskostuum en een versleten bontjas die met zijn tanden een flesje bier aan het openen was.
“Hier, neem eerst een slokje,” antwoordde de kerel.
“Dat doet echt deugd,” zei Sergej, die nog niks gegeten had en zich meteen een stuk vrolijker voelde.
“Welke krant wou je kopen? Ik wist niet dat je geïnteresseerd was in politiek”, vroeg de kerel.
“Politiek? Neen hoor,” lachte Sergej geruststellend. “Zie ik eruit als een idioot?” vroeg hij aan de rest.
Alle kerels moesten eens hartelijk lachten. “Eigenlijk wel,” zei één van het drietal, een reus van een vent met een scheve smoel en een arrogante glimlach, een babyface die ervoor bekend stond dat hij zijn vrouw minstens één keer per week in elkaar sloeg. “Waarom draag jij een sjaal, het is toch niet koud vandaag? Ben jij misschien een flikker?”
Sergej was niet de persoon die zich zomaar liet beledigen door onbekenden, ook al hadden die een reputatie. Ze dronken verder en praatten over de rijken, over nieuwe wagens, gsm’s en de vrouwen. Ze hadden na een tijdje al een aantal bijkomende pintjes op en een paar halve litertjes vodka en het gezelschap begon zich nu echt vrolijk te voelen. Zij het dat de vuisten ook begonnen te jeuken.
Sergej spuwde de kleerkast een geut bier in zijn gezicht, waardoor die begon te roepen als een gek geworden beer.
“Mijn ogen, jij gek!” riep de wildeman en begon halfblind te maaien met zijn armen, groot als boomstammen, in een poging om Sergej te raken.
Wat hem ook lukte, want Sergej was ondertussen een beetje dronken en had helemaal geen voorzorgen genomen om zich te verdedigen of enige afstand te bewaren.
Sergej kreeg een loodzware onderarm recht op zijn oor terecht, waardoor het begon te bloeden. En dan viel hij op de grond, waar hij nog een paar schoppen kreeg uitgedeeld.
De mannen kregen er gelukkig snel genoeg van en lieten Sergej achter aan de ingang van de winkel.
Het was aan de winkel, om zeven uur, toen Marina terug van haar werk kwam om een brood te kopen, thee en een pot confituur, dat ze haar man zag liggen. In een plas kots en bloed.
Ze liet hem naar het appartement slepen door een paar vriendelijke buren, legde hem op de zetel en begon zijn wonden te deppen.
“Het is allemaal jouw schuld,” mompelde Sergej tussen zijn gebroken tanden door. “Ik had naar werk kunnen zoeken had je me geld achtergelaten om de krant te kopen.”
5 Reacties
ik waan me in rusland, met jouw verhalen
Beter u wanen in Rusland dan wonen in Rusland!
Ik heb de vingers geteld.
Tja, Tsjernobyl, weet je wel.
Nu ook met tekeningen!
2 Trackbacks
[...] n heeft. Het eerste stukje in een liefdesverhaal over Sergej en Marina. Het tweede vindt u hier. Marina had gelijk. Na zijn ontslag had Sergej het inderdaad kalmpjes aan gedaan. Hij had de tijd [...]
[...] Over hoe Sergej hele dagen in de sofa ligt en op de zenuwen werkt van zijn vrouw. Tot ze er genoeg van heeft. Het eerste stukje in een liefdesverhaal over Sergej en Marina. Het tweede vindt u hier. [...]