Mijn Lada laat ik tegenwoordig op de parking staan. Ik gebruik hem enkel nog om in het weekend naar de markt te rijden, of naar Ikea en de doe-het-zelf winkel. De laatste maanden rij ik met de fiets naar mijn werk. Elke dag het Kremlin langs.
Ik kom ook elke dag de sandwichman tegen. Eerst stond hij op het kruispunt aan metro Oktyabrskaya, aan het begin van mijn traject, met een geel bord dat over zijn schouders hing. Hij maakt reclame voor vertalingen van officiële documenten, voor de vele Russen die het land willen verlaten.
Op een dag hield hij me tegen op mijn weg naar het werk. “Excuseer me. U bent hier nu al enkele keren voorbijgereden. Ik vraag me af waar u zich mee bezighoudt: bent u een koerier?”
“Neen, ik rijd gewoon naar mijn werk,” antwoordde ik.
Hij keek me bewonderend aan. Ik ben één van de weinige bewoners van Moskou die fietst naar zijn werk. Ik kom nooit een fietser tegen, tenzij af en toe jongeren op mountain bikes.
De laatste weken stond de sandwichman er niet meer en ik dacht dat hij er de brui aan had gegeven. Zo hele dagen staan tussen de uitlaatgassen en niet weten of er iemand je bord leest moet vermoeiend zijn.
Enkele dagen geleden hoorde ik bij het oversteken van de Novy Arbat plots “Goeiendag!” wanneer ik de trap afdaalde van de voetgangerstunnel, met de fiets in mijn hand. Ik besloot niet om te kijken aangezien ik niet zeker was of deze groet voor mij was bedoeld en omdat ik niet wilde ingepalmd worden door een verkoper van kalenders of postkaartjes.
Maar de volgende dag hoorde ik weer “Goeiendag!” en zag ik de sandwichman staan. Hij was enkele kilometers verhuisd.
Ik zei hem ook goeiendag.
En deze morgen zei ik: “Goede morgen!”