Hij droeg een wijde zwarte trainingsbroek vol vlekken van modder en etensresten, een zwarte trui met scheuren, had een stoppelbaardje en een gezicht vol acnébulten.
“Broertje, laat mij dat verder opeten,” zei hij.
Ik was een sandwich aan het eten aan het tafeltje bij het hotdogkraam. Een broodje met een ronde worst, knapperig gebakken ui, opgelegde augurken, mayonnaise en ketchup. Ik wilde mijn tanden net zetten in een stukje worst dat smeekte om afgebeten te worden toen ik merkte dat de bedelaar nog steeds naast me stond.
“Ik heb honger als een wolf. Toe man, laat me dat opeten!” herhaalde hij.
Ik dacht aan de microben uit mijn mond die hingen aan dat stukje worst en hoe onhygienisch het zou zijn mocht ik hem het stuk sandwich afgeven.
En plots wilde ik zelf niet meer eten.
“Heb je honger?” steld ik hem een domme vraag, alsof het initiatief van mijn kant kwam en hij mij niet meermaals om een beet had gevraagd.
Hij knikte ja en keek naar mij met de eerlijkste ogen die hij kon opzetten.
Gelaten gaf ik hem wat overbleef van mijn sandwich en keerde ik terug naar mijn werk. Ik moest toch vermageren, en op mijn werk had ik nog instant havermoutpap staan, voor maagpatiënten.