Een geëxalteerd verslag van weer een slapeloze nacht, eindigend met een
voornemen. Een vervolg op “De puzzel”.
Na het ongeluk met de puzzel was Sergej ontevreden in bed gekropen en zoals steeds raakte hij niet in slaap omwille van het straatlawaai.
Hij hoefde geen kasteel in een kadertje aan de muur. Hij had nood aan een huisje. Een huisje
opgetrokken uit berkenstammen aan de oever van een rivier. Op een plek waar je alleen de wind hoort
die blaast door het struikgewas. Een huisje ver van Moskou en ver van de rokende vrachtwagens op de
chaussee. Een huisje waarvoor je eerst twee uren door bossen en velden voor moet rijden over aarden
wegeltjes vol bobbels en plassen. Een huisje zonder telefoon en met buren op minstens honderd meter
afstand en met twee uur electriciteit per dag. Met een toilet in de tuin. Met frisse lucht, echte lucht
waar je je longen mee kan volpompen als voetballen en waar je gelukkig van wordt. Dorpslucht. Met
de geur van natte aarde, van rottend gebladerte, van takken, wortels en boomschors en van stro dat in
de zon te drogen ligt.
Hiervan droomde hij in zijn appartementje op de zestiende verdieping, met zijn slapende vrouw
aan zijn zij. In zijn appartement met dunne muren en dunne vensters waarachter het nooit stil was
(wanneer je overdag in de woonkamer stond en je deed je ogen toe, was het alsof je tijdens het piekuur
midden op een kruispunt stond). In het gebouw met zijn geborrel van waterleidingen dat begon om
zeven uur ‘s morgens, het gefluit van vollopende toiletbakken dat je ‘s nachts deed opschrikken evenals
het gevloek van de buurman die zijn lege flessen door de vuilniskoker gooide, flessen die zestien
verdiepingen lager kapot knalden tegen de roestige wanden van de container of het gesteun van de lift,
waarvan je nooit wist op welke verdieping ze weer halt zou houden.
De straatgeluiden. De opgefokte radio in een Lada Samara beneden op straat met zijn subwoofers
en versterkers, waarrond een groepje jeugd grapjes staat te maken en bier te drinken en waarover al
lang niemand klaagt. Het verkeer dat nooit zwijgt, het onuitroeibare geluid van rubber dat zoemt op
asfalt als bloed door je aderen.
Al dat geluid had zich in zijn hoofd genesteld als een parasiet. Hij voelde hoe de stad zijn energie
opvrat. Leegzoog. Uitwrong.
Een kasteel had hij niet nodig. Maar naar dat huisje ging hij zoeken. “Morgen koop ik een
reclaamblad”, nam hij zich voor. Sergej viel in slaap.

2 Reacties
Bedankt voor weer een mooi stukje.
Alstublieft!