Het schopje van nonkel Zjenja

Wat men zo allemaal doet op de datsja en een recept voor uitstekende
brochetten.

Op de datsja is er maar één ritueel dat moet worden uitgevoerd opdat ik na terugkeer
zonder schaamte zou kunnen zeggen: “Ik ben op de datsja geweest.” De eerste vraag die me
steeds wordt toegeworpen is de volgende: “En, sjasjliks gebakken?” Als je dan met je mond
vol tanden staat, dan ben je geen echte man. Dus telkens ik voor een weekje naar de datsja
vertrek, vergeet ik niet om op de markt een stuk varkensvlees, schapenvlees of rudsvlees
te kopen. Na aankomst snij ik het in stukken ter grootte van een kindervuist. De stukjes
leg ik in een emmer, snijd er drie ajuinen en drie citroenen door, bestrooi het met
peperbolletjes en laurierblaadjes. Ik giet water op het vlees tot het onder water staat,
leg er een deksel op (kleiner dan de emmer, zodat het op het vlees ligt) en leg op het
deksel een steen die ik vind in de tuin. Het mengsel zet ik voor een nachtje in de
gang.

De volgende dag sta ik op rond de middag en sprokkel ik hout bij elkaar. Planken die
moesten dienen om dat doorgerot balkon te vernieuwen. Met bakstenen waartussen wormen en
pissebedden kruipen bouw ik in de tuin een vierkant, breed genoeg om de sjampoery,
de ijzeren satéstokken waaraan het vlees wordt gerijgd, over te leggen. Dan stook ik een
vuurtje. Eerst met stro en lichte stokjes. Wanneer dat in gang schiet gooi ik er een
ernstiger stuk hout op, een deur van de oude keukenkast bijvoorbeeld, en blaas ik als een
gek. Nu is het belangrijk om het vuur aan de gang te houden en een minimale hoeveelheid
gloeiende kolen te produceren, waarop later de sjasjliks (de brochetten) kunnen
braden.

De stukken vlees op de sjampoer steken is vrouwenwerk, maar ik hou me daar liever zelf
mee bezig. Ik ben iemand die graag controle bewaart over het proces. Het vlees moet zacht
genoeg zijn om gemakkelijk aan de stok te rijgen. Voor ik het vlees begin te bakken, zoek
ik een lege petfles. Een petfles is iets dat je altijd bij de hand moet hebben. Meeztal is
dat ook het gevak. Vandaag is dat een lege fles Pepsi Twist met op de stop een foto van
David Beckham, de man die Engeland het Europees kampioenschap eerloos heeft uitgeschopt.
Met een nagel peuter ik een tiental gaatjes in het stopsel. De fles vul ik met water, ik
scheur een groot stuk karton van een kartonnen doos en we zijn er klaar voor. De sjasjliks
gaan op het vuur, de stukken brandend hout pook ik opzij, zodat de vlammen niet likken aan
het vlees. Maar de kolen moeten roodgloeiend zijn, dus ik waaier met het stuk karton,
waardoor de kolen opgloeien. Terwijl ik waai vliegt cancerogeen as het vlees op. Dat is
goed voor de smaak. Wanneer het vet en de marinade uit het vless druppelen is het mogelijk
dat de kolen terug vlam vatten. Dan spuit ik erop met de petfles. Door de gaatjes in het
hoofd van Beckham loopt een kleine douche, die ik netjes op de vlam richt.

De hele familie zit zich ondertussen al uren af te vragen waar die sjasjliks nu
blijven, terwijl ik roodaangelopen sta te zwoegen aan het vuur. Eindelijk is de eerste
lading klaar, netjes bruin aan alle kanten, hier en daar aangebrand. Dat hoort zo. De
familie begint te smakken en ik verzamel lof van iedereen. Ik trek het lof uit iedereen
zijn mond, want daarvoor heb ik die sjasjliks gemaakt en ook om in de stad niet voor
onvolledig te worden aanzien.

Voor de rest doe ik op de datsja helemaal niks. Als het echt warm is ga ik zwemmen
in het riviertje, maar voor de rest lig ik in bed of op een luchtmatras in de tuin en lees
ik boekjes, waar de datsja vol mee staat. Nu lees ik ‘het eiland Sachalin’ van Tsjechov.
Af en toe heb ik plots goesting om de handen uit de mouwen te steken. Een soort van plotse
golf van energie loopt door me heen en die moet een uitlaatklep vinden. Toen ik dit jaar
voor het eerst op de datsja arriveerde en liep door het kniehoge gras, nat van de regen,
ging ik bij de buurman om diens zijs en hakte ik er enkele uren tegen aan, tot mijn handen
onder de blijnen stonden. Het zweet liep over mijn rug en druppelde van mijn voorhoofd.
Het gras was een halve meter korter en de gazon zag eruit als het kapsel van iemand die
zichzelf heeft proberen knippen voor de spiegel, met plukken en scheefgeknipte stukken.
Maar ik was tevreden. Ik had mijn stadsmens zijn voor even van me afgelegd en een mentale
excursie gemaakt in de geest van de ongebreidelde dorpsmens.

Gisteren kwam hetzelfde voor. Ik wilde een ritje maken met de auto, naar het strand om
te gaan zwemmen met de kinderen, maar toen ik de poort uitreed slipten mijn wielen over
het gras en raakte ik geen centimeter verder. De buurman moest komen helpen om me de
helling op te duwen. Ik besloot het wegeltje vrij te maken van gras en er grind op te
gooien. Aan de poort ligt al sinds mensenheugenis een hoop grind, ongebruikt. Met de spade
toog ik aan het werk. Ik besloot ook mijn zoon in te wijden in de plezieren van de fysieke
arbeid en beval hem de kruiwagen met grind te vullen, iets waar hij na twee minuten al
zijn buik vol van had. Met de spade spitte ik het gras en de klaver met wortel het
wegeltje uit, in dunne plakken de breedte van mijn banden. De spade was scherp, dus liep
het werkje vlot. Mijn schoonvader kwam een kijkje nemen. Mijn schoonvader houdt daarvan om
te kijken hoe anderen werken en te zeggen hoe het eigenlijk beter moet.

Hij zei dat ik beter het schopje zou gebruiken van nonkel Zjenja. Met dat schopje had
nonkel Zjenja destijds in Stalingrad loopgrachten gegraven.

Hierbij moest ik even stilstaan. Zo een schopje wilde ik wel eens in mijn handen
houden.

4 Reacties

  1. klaas
    Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    Waar is de tijd dat ik dacht dat het bronchetten waren.

  2. Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    ajuinen?

  3. Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    Misschien is David wel goed om verloren gelopen googlers te lokken!

  4. schoolmeester
    Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    (rijgen, reeg, geregen)

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*