Moestuincooperatief

Een beschrijving van ons buitenhuisje.

Onze datsja is opgetrokken uit 5000 rode, 5000 roze en een vrachtwagen witte bakstenen. Het buitenhuisje staat op een helling van 600 vierkante meter, een rechthoekige lap grond de grootte van een zwembad. Het is omringd door vergelijkbare bouwsels op lappen van éénzelfde oppervlakte die op hun beurt omringd zijn door vergelijkbare bouwsels op lappen van éénzelfde oppervlakte. Alles tesamen heet dit patchwork aan houten keten, bakstenen monsters, omgebouwde containers en veredelde boomhutten moestuincooperatief “De Bouwvakker”. Het cooperatief neemt een hele heuvel in beslag. Ernaast ligt het dorp Tsjertovitskoje, van enkele honderden zielen en langs de andere kant wordt het cooperatief gescheiden door de chaussee Moskou-Rostov aan de Don: de M4, kilometerpaal 505.

Wanneer je overdag in de tuin staat hoor je op de achtergrond de trucks die van Noord naar Zuid en vice versa denderen, geladen met tomaten, eieren en watermeloenen. Je hoort het geknisper van krekels. Af en toe een haan die kraait. De buurman die gaten in de muur boort. Een overvliegend vliegtuig. Dixieland op de kortegolfradio van opa.

Belangrijker dan de huisjes is het miezerige lapje grond waar ze op staan, de moestuintjes, die het gros van hun eigenaars voedsel voor de winter moeten verschaffen.

Rijen aardappelplanten met lelijke miezerige blaadjes worden afgewisseld door de parasolvormige blaren van koolplanten, door rijtjes augurken, rode biet en radijsjes. De tomaten zijn dit jaar mislukt. Tussen de planten staan appelaars, perelaars, kerselaars, pruimelaars en notelaars. De haag wordt gevormd door frambozenstruiken, kruisbessenstruiken en zwarte en rode bessenstruiken. Een enorme dichtheid aan allerlei lekkers voor zo een kleine oppervlakte. Een dergelijke moestuin onderhouden kost veel moeite en het werk hieraan begint reeds in de winter, wanneer overijverige huisvrouwen en grootmoeders de zaadjes van de tomatenplanten op de vensterbank wortel laten schieten, in potjes gemaakt van afgesneden petflessen. Vanaf de sneeuw dooit, eind april, rijdt iedereen naar zijn datsja om de grond om te spitten. Een maand later kan worden gezaaid en vanaf dan begint de ellende. De planten moeten regelmatig begoten worden, onkruid gewied, aardbeien geplukt, konfituur gekookt, glazen potten gesteriliseerd, coloradokevers verdelgd, enz.

Meer kan ik niet bedenken, want zelf hou ik me hier niet mee bezig. Onze tuin is één grote wildernis, een kerkhof van goede bedoelingen. Tussen het onkruid is ergens wel een aardbei te vinden en de frambozen die ooit de haag uitmaakten beslaan ondertussen de ondoordringbare helft van ons tuintje. Elke vijf stappen kom je een mierennest tegen, een zanderige hoop van een halve meter hoog. De arme beestjes hebben bij ons asiel gekregen. Bij alle buren worden ze verjaagd. De buren bekijken ons met een scheef oog. Ten eerste zijn we lui want wij komen naar de datsja om uit te rusten (badminton spelen en kampvuurtjes maken) en ten tweede maakt onze woekerende fauna en flora verwoede pogingen om te migreren naar de onkruidvrije territoria van onze buren.

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*