Een verslag van 500 kilometer Russische autoweg.
De grote lijnen: we rijden onder pakken grijze wolken en over lappen asfalt en kijken naar de
grijze bestofte achterkanten van vrachtwagens en de blauwe tentzeilen van camionettes. De
groengrijze bladerdaken van espen, berken en populieren verbergen nu en dan de horizon. We kuchen
in het spoor van stinkende trucks die hellingen oppuffen.
Enkele kleurrijke plekken onderbreken de saaie weg. De motels en de truckstops. De cafeetjes,
zelfgebouwde keten, opgetrokken uit afgedankte treinwagons en containers. De trucks, oude
stoffige rammelende werkpaarden, onder de blutsen en de roestplekken, allemaal van het merk
KAMAZ, staan op een grote parking, vol plassen, olievlekken, lege olieblikken en de afgescheiden
slangenhuiden van vrachtwagenbanden.
We rijden naar Voronjezj, naar de datsja. Zeven uur lang duw ik op de gaspedaal. Soms rij ik
116 kilometer per uur, meestal tachtig. De weg is te smal om vrachtwagens in te halen.
Van Moskou naar Voronjezj doorkruisen we vier provincies: de Moskovskaja oblast, de
Toelskaja oblast, de Lipetskaja oblast en de Voronjezjskaja oblast.
De Moskovskaja oblast (de provincie van Moskou) is de meest voorspoedige. In de dorpjes
langs de weg ruimen de schilderachtige houten huisjes plaats voor bakstenen gedrochten van drie
verdiepingen hoog, die veel te dicht op elkaar staan. Buren kijken elkanders ramen binnen. Boven
ons lopen de draden van hoogspanningsnetwerken, die al deze kasteeltjes van licht moeten
voorzien. Enkel ter hoogte van de stad Kasjira, ter hoogte van de rivier Oka, rijden we de bossen
en de velden binnen. De Oka is een brede rivier. Ze is niet ingedijkt en aan weerskanten heb je
kilometerbrede meersen.
Een twintigtal kilometer verder begint de Toelskaja oblast (de provincie van Toela).
Toela is bekend om drie dingen: Jasnaja Poljana, prjaniki en Koelikovo Polje.
Jasnaja Poljana is het buitengoed waar Lev Tolstoj begraven ligt. Hier houden dagelijks hele
busladingen schoolgaande jeugd halt. Hier heb je het graf van de graaf, een aarden heuveltje
ergens in de tuin, en de zetel waarop hij zijn middagdutje deed.
Toelskije prjaniki (peperkoeken uit Toela) zijn de lokale delicatesse. Het is een
platte koek, gevuld met konfituur en overgoten met suikerglazuur. In reliëf staan er tekeningen
en tekst opgedrukt, meestal van patriottische aard (‘Ter ere van de 300-ste verjaardag van de
Russische Vloot’), of als de fantasie het even laat afweten, staat er in grote letters ‘Peperkoek
uit Toela’ opgedrukt. Misschien is dit een waarschuwing, want wanneer je er één in je mond
steekt, bijt je je tanden stuk. De koek ligt immers al twee maanden in de vitrine van de winkel,
blootgesteld aan hitte en zonnestralen.
De laatste keer dat we door de Toelskaja oblast reden, een tweetal jaar geleden, stonden elke
vijf kilometer paars-gele tentjes die peperkoek verkochten. Niemand kocht er iets. Vandaag zijn
de tentjes weg.
Halverwege tussen Moskou en Voronjezj ligt het laatste wat de provincie Toela aan de toerist
te bieden heeft: Koelikovo Polje. Koelikovo Polje is een veld. In Toela heb je veel velden en
bossen. We rijden al enkele uren langs erotisch glooiende stoppelvelden, schilderachtige
riviertjes en donkere bossen. Toch staat er op 250 kilometer van Moskou een wegwijzer: Koelikovo
Polje, vijftig kilometer. Er rechttegenover staat een bushokje. Het is opgetrokken uit rode
baksteen en heeft een koperen dak in de vorm van een middeleeuwse helm. Koelikovo Polje is immers
een speciaal veld. Hier heeft de Russische vorst Dimitri Donskoj in de 16de eeuw de genadeslag
toegediend aan de Tartaren en een einde gemaakt aan het vreselijke “juk der Tartaren”. Op
Koelikovo Polje is niets te zien. Het is saaier dan de “meest gefotografeerde schuur” waarover
Don De Lillo het heeft in White Noise.
Vanaf hier begint de weg te verslechteren. Van twee baanvakken in beide richtingen versmalt de
weg zich tot één baanvak naar Rostov en een ander naar Moskou. Aan beide kanten vormen zich
kolonnes van denderende vrachtwagens, doorspekt met zenuwachtig zigzaggende, toeterende en
lichtenknipperende auto’s, die van elk leeg plekje gebruik maken om met huilende motor de trucks
in te halen. We naderen de Lipetskaja Oblast, de provincie van Lipetsk. Lipetsk is nog
armer dan Toela. De stad kan enkel opscheppen met haar metaalverwerkende nijverheid, die in de
jaren zestig Lipetsk heeeft omgetoverd tot een industriestad met enkele honderdduizenden
inwoners, allen te werk gesteld in de hoogovens en de gieterijen. Maar langs Lipetsk rijden we
niet. We rijden langs Jelets, ‘vader van alle rovers’. Jelets is met zijn vele gevangenissen de
thuisbasis van de Russische recidivisten. Zijn onesthetisch industrieelarcheologisch,
belabberd-desolaat en afgebrokkeld-deprimerende uiterlijk is een spiegel van de Russische
boevenziel. Bij het binnenrijden van de stad staan aan beide kanten van de weg lange rijen
kraampjes met z/w televisies, luchtmatrassen, handdoeken met blote vrouwen, dollartekens en
coca-cola opgedrukt, opblaasbare zwembaden, achteruitkijkspiegels voor vrachtwagens en rubberen
bootjes. Produktie van de plaatselijke strafkolonies. Achter de kraampjes staan
appartementsblokken van twaalf verdiepingen, allemaal identiek dezelfde. Ze staan op verwilderde,
onbewerkte stukken grond. Alsof de bouwwerf na twintig jaar nog niet is opgeruimd. De wind blaast
stof door de straten. Het ligt vingerdik op trottoirs, bushokjes, vensterbanken,… Overal lopen
verroeste buizen, die het warme water van het ene gebouw naar het andere pompen. Ooit heb ik in
Jelets een autoongeluk gehad en moest ik ‘s nachts op zoek naar een radiator, een hels avontuur.
Het is een verademing om het stadje achter de rug te laten.
Rond half tien wordt het donker. Het motregent en overal wordt aan de wegen gewerkt. Er zijn
geen witte lijnen en ik zie geen steek. Ik vertraag. De laatste twintig kilometer zijn een zware
inspanning. Eindelijk rijden we het dorpje binnen waar de datsja staat. Het ruikt naar gras en
groen. Mijn schoonmoeder rukt de verroeste ijzeren poorten open en ik rijd de tuin op, tussen
kniehoog gras.