Een vervolg op “Biotoop”. De volgende ochtend in het nieuwe appartement. De zon schijnt door de vensters, die nog niet zijn voorzien van gordijnen. Straatgeluiden dringen de woning binnen. Vogelgefluit. Wandelaars die groeten uitwisselen. Auto’s die starten. In de verte, op de bouwwerf, het geronk van kranen en betonmolens.
Sergej zit op de toilet in de badkamer. Gisteren was het zondag en hebben ze de familie ontvangen. Die hadden taart meegebracht en Armeense cognac om het appartement in te wijden en nu heeft hij het zitten. Hij maakt concerten voor blaasorkest op de weeceepot. Hij had niet zoveel moeten drinken met nonkel Valera.
“En, lekker gedroomd vannacht?” vraagt zijn vrouw Marina. Ze draagt een katoenen nachtponnetje met roze bloempjes, kanten boordjes en pofmouwtjes en spoelt haar mond. “Maak onze nieuwe toilet niet vuil, hoor je? Schijtlijster!” Ze kijft op een speelse manier en steekt hem de gloednieuwe weeceeborstel in de hand. “Hier,” zegt ze, “mooi alle restjes wegschrobben.”
Sergej kijkt verdwaasd naar de weeceeborstel en zet hem terug in het bakje. Een trombonestoot weergalmt in de orkestbak. Het is nog niet het moment voor humor.
Vannacht heeft hij gedroomd, maar niet lekker. Hij heeft gedroomd van een blote vent die rondliep in een tuin. Afgaande op de vorm van zijn achterwerk een man van middelbare leeftijd. De man rende in iets dat geleek op een Japanse rotstuin en zwaaide met een bevroren eend. Af en toe smeet hij die tegen één van de rotsen, blijkbaar om het beest mals te maken. Wanneer dat gelukt was, ging hij zitten in lotushouding en rukte hij met zijn twee vingers de aars van de vogel open.
Gelukkig werd Sergej op tijd wakker.
Een waldhoornroulade maakt een abrupt eind aan zijn gedachten.