Verslag van een mislukt weekend

Meestal is het op een vrijdag. Dan wil je de Moskouse massa’s ontvluchten, je bevrijden uit de smorende omhelzing van de stad. Weg uit de smog en de spanning, al was het maar voor achtenveertig uur. Maar je kan nergens naartoe. Je hebt geen buitenhuisje en geen geld om voor twee dagen naar Sjarm el Sjeikh te vliegen. Toch moet je weg. Het is sterker dan jezelf. Je denkt lang na en neemt een beslissing, tegen beter weten in. Bij gebrek aan een alternatief. Na lang geijsbeer door je schaarsverlichte kantoor… Je zal het weekend doorbrengen in een rustoord op vijftig kilometer van de stad, in de naaldbossen. In Rusland heet dat een pensionaat. Dat is een hotel met faciliteiten. Je weet wel, met een zwembad en dergelijke. Het pensionaat draagt de nietszeggende naam Lipki.

Pensionaat Lipki kan als volgt worden omschreven: het is gebouwd in een moderne stijl.
Modern, gezien vanuit een jaren tachtig perspectief. Modern zoals de USS Enterprise.
Modern als een biotechnologisch instituut, met zijn hokken vol gekloonde ratten en zijn diepgevroren lijken wachtend op het eeuwige leven.

In een rond hoofdgebouw zijn de gemeenschappelijke faciliteiten gehuisvest en in drie vingers de kamers.
Het hoofdgebouw is vijftig meter lang en acht meter hoog. In het midden van het platte dak zorgt een glazen toren voor het daglicht. Erbovenop staat een metalen sculptuur gemonteerd, in de vorm van een raket. Aan het plafond hangen honderd lusters in de vorm van driedimensionele sneeuwkristallen. Elke luster telt veertien gloeilampen, waarvan de helft buiten werking is. De lampen hangen zodanig hoog dat ze enkel met behulp van een stelling vervangen kunnen worden. Een foutje van de architect.
Een brede marmeren trap voert naar het café, in het midden van de ruimte, onder de glazen toren. Er staan vier biljarttafels en enkele computerspelen. Een wintertuin met plastic planten. Vijvertjes zonder water.
Op het gelijkvloers biedt de refter plaats aan vierhonderd personen. De sportzaal en het zwembad nemen de rest van de ruimte in beslag.
Tunnels verbinden de vingers met het hoofdgebouw. In de tunnels zitten grote ronde vensters.
De vingers zijn twee verdiepingen hoog en tweehonderd meter lang. Het duurt enkele minuten voor je tot het einde gestapt bent. Als je het ongeluk hebt in kamer 364 te logeren (drie voor de vinger, vierenzestig voor de kamer, even nummers aan de rechterkant, oneven aan de linker), dan heb je een lange weg af te leggen naar de refter. En naar het zwembad.
Alle deuromlijstingen zijn uitgevoerd in goudkleurig aluminium en de vloeren zijn bekleed met witte en rode marmer.

Het eerste wat opvalt wanneer je je rolkoffertje de trappen opdraagt en het over de bobbels in de versleten rode loper kantelt, zijn de geuren. De chloordampen van het zwembad hebben zich vermengd met de uitwasemingen van verschaald bier en volle asbakken uit het café. In de gang verdwijnt de intieme geur van slechtverluchte slaapkamers in de genadeloze stoom van de aardappelen die de kuisvrouw kookt op een elektrisch fornuisje in haar kamer zonder vensters (met verluchting naar de gang). De nooduitgangen zijn gebarikkadeerd met asbakken (lege tetrabriks, doormidden gesneden) en gammele stoelen. De gang ziet er uit als elk hotel in de Sovjetunie: pastelgroene muren en vetplanten op de vensterbanken. Op de tafeltjes staan kunstplanten, vervaardigd uit petflessen en papieren servetjes.

Je bent ’s avonds gearriveerd, na je werk, en moet je haasten voor het avondmaal, dat tot halfacht wordt geserveerd. Je kleedt je om (trainingspak en rubberen slippers) en rept je door de stinkende gang naar de refter. De refter is die van een fabriek. Voor iedereen hetzelfde. De diensters lopen af en aan met plateaus vol met gestoofd varkensvlees en aardappelprak.
Van achter je tafel, nr. 58, kijk je recht de keuken in. Ze is bezet met witte tegels en er staan dikke vrouwen in plastic schorten en met kort haar - dat wast gemakkelijk - geleund tegen het stalen aanrecht. Eén enkele zit op een stoeltje. Hun werk zit erop voor vandaag. Ze staren afwezig naar de halfdonkere refter en luisteren naar het gerinkel van het bestek.
De diensters, zwart rokje, wit hemdje en schoenen waarvan de hak op het punt staat te breken, stappen snel maar lopen niet, als op een wedstrijd snelwandelen. Wel draf maar geen galop. Hun kaken trillen elke keer hun hak de grond raakt.
De maître d’hôtel, een vrouw, in de refter met honderd tafeltjes van vier en plafonds van zes meter hoog, controleert nerveus het verloop van de diensters. Ze draagt een witte schort en pumps die ooit wit waren, maar er uitzien alsof ze ze een keer per abuis met bruine schoenpoets heeft ingevet. Ze ziet er ongelukkig en bezorgd uit, en zwijgzaam, en niet op haar gemak.
In het midden van de zaal zit een vijftiger in een zwarte rolkraag op zijn synthesizer te tokkelen. Hij is de enige hier die zich amuseert. Toen je voorbij liep gaf hij je een knipoog. Hij speelde toen ‘Besa me mucho’. Hij strijkt zacht over de toetsen terwijl het voorgeprogrammeerde orkest dat in zijn synthesizer woont ‘One way ticket to the moon’ speelt. Hij ziet eruit als een gepensioneerde leraar. Zijn zwarte rolkraag geeft hem het aura van een intellectueel, maar eigenlijk draagt hij een rolkraag om een stijve nek te vermijden in deze tochtige refter.
Vis of vlees, vraagt de dienster. Ik kies voor de vis. Karper vol met graten. De puree erbij is mousseline en is begoten met gesmolten boter.

Het zwembad is gratis tot tien uur. Daarna is het te betalen.
In het zwembad heb je drie metalen massagesproeiers, waarvan de motor een hels lawaai maakt wanneer je je kop onder water steekt. Met je rug onder de sproeier lijkt het wel of er een olifant over loopt. Naast het zwembad staat een niervormig plonsbadje en daarnaast een conglomeraat van kleine, met elkaar verbonden yakuzi’s, open cirkels waar je met zijn vieren in kan zitten, voor intieme gelegenheden. De helft van de yakuzi’s borrelt niet.
Als een voorbeeldig papiervreter met een schuldgevoel omwille spieratrofie en overtollig vet, trek je plichtsbewust je baantjes. Af en toe vaart iemand tegen je aan. Baantjes trekken is hier niet de gewoonte. Uit de mondholtes van mannelijke zwemmers walmt een penetrante alcoholgeur.
Het zwembad heeft iets archeologisch. Het is totaal niet onderhouden. De kalk en het chloor liggen in een dikke laag over de marmeren vloer gekristalliseerd, waardoor deze niet meer zichtbaar is. Op vele plaatsen zijn de tegels afgevallen en vertoont de vloer inzakkingen. Een bouwproject van uit de tijd van het pionierskapitalisme.
Om tien voor tien wordt je het zwembad uitgejaagd: de hoeren uit het naburige dorp zijn gearriveerd. Met glitter op hun jukbeenderen en dikke puisterige neuzen. Platinablond.
“De kust van Turkije hebben we niet nodig, hier is het even goed,” zegt een kerel tegen jou die zich ook aan het afdrogen is. In de douche kropen daarnet kleine vliegjes over de roestige tegels. Je antwoordt niks maar voelt hoe een golf van verdriet en zelfmedelijden over je heen slaat.

Na het zwemmen bestel je jezelf een pintje in het café en overdenk je wat je verder te doen staat. Je wilt niet weg en je wilt niet blijven. Je geld krijg je niet terug. Je besluit dan maar optimaal gebruik te zullen maken van de geleverde faciliteiten. In het café spelen enkele jonge kerels bossanova’s voor een tafeltje dronken mensen. Een zestal lege vodkaflessen staat op de tafel en twee mannen dansen met een dame. Een dame die haar derde jeugd beleeft. Ze maakt bezwerende, vertraagde bewegingen. Dronken bewegingen. Eén van de kerels heeft zijn bovenlijf ontbloot en cirkelt rond de dame, als een echte Zorba.

Wanneer het dronken gezelschap contact met jou begint te zoeken, vertrek je naar je kamer. Je hotelkamer bestaat uit vijf ruimtes: een inkomhal, een slaapkamer, een woonkamer en twee badkamers. Je hebt zes deuren, je hebt ze geteld en vindt dat veel. In de kleine slaapkamer hangen twee lusters. De weecee staat tien centimeter van de muur, zodat je er enkel zijdelings op kan gaan zitten. Het fineer van de deuren hangt er in lappen af.
Je bekijkt het programma dat je aan de receptie in de handen is gestopt. Morgen staat een ontmoeting met een bekende Rus op het programma. Daar ga je zeker naar kijken. Het is een acteur op terugkeer, op pensioen, die in de jaren zeventig steeds spion speelde op de teevee.

De volgende dag, zaterdag, wordt je wakker met een slecht humeur. Je hebt slecht geslapen door allerlei onbekende geluiden waar je wakker van schoot. Lekkende kranen en piepende deuren. Zatlappen die brulden in de gang en een zwaar meubelstuk versleepten.
Het koud buffet ‘s ochtends is een verrassing in negatieve zin. Je had er teveel van verwacht. Het beeld dat je je ervan had gevormd komt niet overeen met de werkelijkheid. ‘Koud buffet’ is hier synoniem voor ‘niet opgewarmde restjes’.
De refter is niet verlucht, een zure geur schiet je neus binnen. Ten tweede is je tafellaken, je eet op tafel nr.58, niet uitgeschud sinds gisterenavond. Het ligt vol met suiker en kruimels.
Het buffet bestaat uit koolsla, rode biet, gekookte eieren en spiegeleieren, koude friet, pannekoeken, kaas, salami.

Na het ontbijt slenter je wat rond in de lobby. Er loopt een congres van IPS (Instituut voor Praktische Systemen), een bende charlatans, je hebt sterke vermoedens dat het gaat om netwerkmarketing in Herbalife-stijl. In de lobby staat een plakaat dat het congres aankondigt. In de rechterbovenhoek een slogan van Henry Ford: “Problemen die met geld kunnen worden opgelost, zijn geen problemen maar extra kosten.” Het congres gaat door in de bioscoopzaal, waar normaal tekenfilms voor kinderen worden vertoond. In de zaal vinden nu peptalkseminaries plaats over hoe nieuwe klanten te ronselen, in het kader van de Russische obsessie met snel en simpel rijk worden.

Na een wandelinkje in de bossen, het zwemmen en het middagmaal heb je een dutje gedaan. Rond vijf uur werd je wakker van mannenstemmen. Een groepje van drie kerels van middelbare leeftijd stond achter een picknicktafel tussen de berken op honderd meter van je raam vodka te drinken: op de tafel stonden ook tomatensap, bier en enkele plastic zakken met onbekende inhoud. Ze stapten elk naar een berk en maakten er inkepingen in op een tweetal meter hoogte, of deden alsof ze dat deden. Misschien gingen ze wel berkensap tappen, alhoewel dat meer iets is voor na de dooi. Waarschijnlijk probeerden ze elkaar te overtuigen op welke hoogte dat moest gebeuren.
Maar eigenlijk werd je wakker gemaakt door iets dat je aan klokkengelui deed denken. Een meisje gooide een zwaar touw, dat hing aan een molen, tegen een dikke metalen paal. “Boing… Boing…Boing…” Zij vond dat leuk, of misschien verveelde ze zich. Het had iets autistisch.

Op de ontmoeting met de bekende Rus besluit je je goed voor te bereiden. Je hebt er de hele dag naar zitten uitkijken: Georgi Zhzhonov is een acteur van rond de negentig, die dertig jaar heeft doorgebracht in de Goelag. In de jaren zestig werd hij bekend als acteur in een serie waar hij een KGB-agent in West-Berlijn speelde. Nu is hij oud, alhoewel hij er nog fris uitziet. Hij werkt nog, en misschien doet hij wel aan yoga.
De ontmoeting gaat door in de refter, tijdens het avondeten. Waar normaal de synthesizerman zit staat nu een tafeltje met een flesje spuitwater, een stoel en een microfoon. Achter de acteur strekken zich de lange tafels uit waar ‘s ochtends het koud buffet op stond en waar nu nog de decoratieve flessen en glazen potten met opgelegde vruchten op staan.
Op de bekende Rus is een schijnwerper gericht en in de zaal is het halfdonker, waardoor je de schep salade “Olivier” met moeite kan onderscheiden. Heel de zaal is gevuld met het geluid van vorken die over borden schrapen en het geroezemoes van stemmen achter de tafels. Het eerste wat de acteur zegt wanneer hij merkt dat ze hem in de refter hebben geplaatst om te oreren voor een vretend publiek, is dat hij altijd heeft geweigerd in reclamefilms mee te doen. Dat hij nooit in stadions heeft gespeeld. Dat hij steeds heeft geweigerd om in restaurants op te treden. Hij is niet zo iemand, zegt hij. Hij moet contact hebben met de mensen, dialoog.
En dat gaat niet als iedereen aan het vreten is.
De diensters zijn net aan iedereen varkenskoteletten met rijst en ketchup aan het uitdelen, evenals haché parmentier met zure room. Er valt een korte, beschaamde stilte. Maar dan begint iemand te klappen en de rest volgt.
Er kan met een gerust geweten verder worden gegeten.
De directeur van het pensionaat, een klein en energiek baasje van eind in de zestig, die voor de gelegenheid speciaal een zijden halsdoekje heeft omgedaan en zijn zwarte lakschoenen de kast uit heeft gehaald, kijkt beledigd naar de oude acteur. Hij heeft zo zijn best gedaan. De directeur heeft de acteur eerst voorgesteld en daarna eigenhandig een patriottisch lied gezongen om het publiek op te warmen.
Maar de bekende Rus is onvermurwbaar. Hij besluit kindergedichtjes voor te dragen.
Lang blijf je niet zitten.

Je begeeft je naar het café onder de koepel om een partijtje biljart te spelen tegen jezelf, maar de keus zijn op.

Uit pure ellende keer je terug naar je kamer, waar je het introductiemapje bestudeert. Het is een blauw ringmapje met kopijen van getijpte tekst in doorzichtige zakjes. De eerste pagina vertelt de geschiedenis van Lipki. Het is een dorp van zeventig zielen en dat is zo sinds de zeventiende eeuw. De lijfeigenen van de lokale kasteelheer woonden er. Op de plaats van het kasteel is dit pensionaat gebouwd. Achter de geschiedenis volgen de prijslijsten. Hoeveel kost een partijtje pingpong, een uurtje bij de coiffeur, de prijs van een portie salade “lik je vingers af” of de steak à la chef. Elk blad met prijzen is ondertekend door de hoofdboekhouder, de hoofdeconomist en de hoofdadministrator. Je legt het ding terug op het nachttafeltje en besluit wat teevee te kijken. Je zit aan het einde van je Latijn. Je voelt je teneergedrukt en depressief.
Het nieuws brengt je niet in een betere stemming. Poetin heeft een Politburo gevormd, zoals in de goede oude tijd. Hij vergadert enkel met Eerste Minister, de baas van de KGB en de ministers van Buitenlandse Zaken, Defensie, en Extreme Situaties. Heel ernstig zegt hij dat de Servische broeders moeten geholpen worden. Ze zitten in een zaal van het Kremlin waarvan het interieur afstamt uit het Sovjettijdperk, met zijn tafels, stoelen en muurpanelen uit tropisch hout. Enkel de Sovjetemblematiek is vervangen door de Russische tweekoppige adelaar. Hier hebben Brezjnev, Andropov en Tsjernenko nog gezeten. Dezelfde mensen. Dit maakt je nog depressiever je ligt er gans de nacht wakker van. De klok lijkt wel voorgoed teruggedraaid.
De oubollige atmosfeer van dit pensionaat draagt enkel bij tot de bevestiging van deze vermoedens. Buiten dooit het. Dikke druppels gesmolten sneeuw vallen op de zinken vensterbanken en maken een hels lawaai. Alsof iemand met een hamer op een bakplaat slaat. Je doet het venster open en legt één van de hotelhanddoeken op de vensterbank, om het geluid toch enigszins te dempen.

Zondag. Daarnet, na het ontbijt, heb je je volgepropt met pannekoeken met appelgelei en vier tassen thee gedronken. Je passeert voorbij de bioscoopzaal, die is afgehuurd door het IPS, de duistere organisatie die hier een congres organiseert. Een vijftigtal vrouwen van middelbare leeftijd, sommige met een snor, nemen eraan deel. Je probeert een kijkje te nemen in de zaal, maar slaagt er enkel in een blik te werpen op de scene, waar vlaggen hangen en een wit bord op staat (één waar je met stiften allerlei grafieken op hoort te tekenen). Je hoort de stem van een orator: “Proficiat! Zo moeten jullie het doen!” Maar voor je verder kan luisteren wordt de deur voor je neus dichtgetrokken door een vent met een grijze baard.

Voor terug te keren naar huis, naar de stad, ga je nog een uurtje weken in het zwembad. Je zwemt door de geisers. Een vrouw zit haar dikke kont te masseren in de geiser die naar boven sproeit. Wanneer ze wegzwemt denk je dat ook eens te proberen. Je kloten worden heen en weer geschud als in een achtbaan. De geisers zijn geïntegreerd in baden uit blauwe mozaiektegeltjes, marmer en beton. Ze bootsen natuurlijke warmwaterbronnen na. Wat stoort zijn de chloordampen. Je krijgt er hoofdpijn van. Wanneer je per ongeluk water binnenkrijgt langs je neus, schiet er een pijnscheut door je neus en beginnen je ogen te tranen, als bij het eten van sterke mosterd.
Daarna drijf je een tijdje op je rug op het water en staar je naar de houten balken in het plafond.
En om af te sluiten sta je lang - heel lang - onder de hete douche, in een halfslapende toestand. Morgen mag je weer gaan werken.

9 Reacties

  1. Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    Heerlijk. Wil ook zitten aan zo’n hotelbar. Velours bekleding met skai. Een toplessdanseres op leeftijd die een cola van jouw geld wil bestellen. Een wapenhandelaar die een gesprek wil aanknopen. Een writer’s goldmine, daar zit je op.

  2. pete@work
    Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    ik zou voor de ‘je’-vorm gaan

  3. Irene
    Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    http://www.serendips.org/
    Hier worden jij en ik depri van. Ik zou toch jij kiezen. Dat geeft het een bepaalde objectieve mate van ellendigheid. Schrijft voort!

  4. Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    Ik heb het helemaal gelezen en geen moment stilgestaan bij je-vormen en zulk soort dingen. Ik ben blij dat je eindelijk weer wat gepost hebt, ik vind hem prachtig.

  5. klaas
    Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    Ik zou die je-vorm niet direct onpersoonlijk noemen. Ik zie hier eerder iemand voor me die zichzelf voor de spiegel aanspreekt en zijn zielige zelf recht in de ogen kijkt. Sterk stuk!

  6. Ruben
    Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    http://www.timmietv.nl
    Het gebruik van ‘je’ past wel bij de onpersoonlijke, afstandelijke sfeer die je wilt beschrijven. Het moet alleen niet te lang duren, denk ik. Bij zo’n lang stuk is het in de eerste persoon (of wellicht de derde) wat gemakkelijker bij te blijven.
    Misschien doe je het onbewust, maar wat het stukje voor mij máákt is je woordgebruik. Refter, rolkoffertje, spuitwater. Ik had het misschien dan ook “De refter” genoemd en die weergaloze ruimte wat naar voren gehaald in het verhaal. Tot topfragment kies ik echter: “Hier hebben Brezjnev, Andropov en Tsjernenko nog gezeten. Dezelfde mensen. Dit maakt je nog depressiever je ligt er gans de nacht wakker van.”

  7. de gerespecteerde muzikant
    Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    Net gelezen: “Indien ge vindt dat al de literaire genres en procédés sleet vertoonen zoudt ge ‘t misschien eens kunnen probeeren met een verhaal in den gij-vorm” (richard minne). maar het maakt het geheel alleszins nog stukken treuriger.

  8. Klaus
    Gepost 13 May 2005 om 0:00 | Permalink

    Voor zij die tot het einde hebben gelezen: wat is beter? Tweede persoon of eerste persoon?

  9. Gepost 31 January 2008 om 11:32 | Permalink

    What do you mean ?

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*