Uitgerangeerd

Sergej, de Lada-eigenaar en Volodja, de Volga-eigenaar, gooien om beurten hun hengel in het troebele water van een kunstmatige vijver aan de
rand van Moskou. De vijver is de grootte van een voetbalveld en de oevers ervan zijn betegeld met grote betonnen platen. Aan de randen van de
vijver drijft een geelgroene brei, waar piepschuim en petflessen in drijven.

Sergej en Volodja zitten hier niet voor de vissen. Ze zitten hier voor de gezelligheid en omdat het dichtbij is. Net als een vijftiental soortgenoten,
die al even zorgeloos hun visgerief klaarmaken, de bakken bier uit hun koffers hijsen en zich rondom de vijver verzamelen. De vijver is een oord
van meditatie en een vergaarbak van sigarettenpeuken en lege flessen. Rondom de vijver staan bomen met een zilveren gebladerte dat fluistert in de
wind.

De auto’s staan met hun kofferbak naar de vijver geparkeerd, om niet te ver te moeten slepen met het gerief en omdat de kofferbak functioneert
als picknicktafeltje. Om de vodka over kleine plastic glaasjes te verdelen, het bruine brood te snijden en de opgelegde augurken uit het blik te
peuteren en te rangschikken op een opengesneden plastic zak, het tafellaken. Hier en daar speelt een autoradio, met de deuren open. Niemand die
eraan denkt dat vissen hiervan kunnen opschrikken. Want er zijn geen vissen. Daar gaat het hier niet om. (Toch verdwijnen de wormen van de
haakjes. Niemand stelt zich hier echter vragen over. Dit is al lang een non-issue geworden waar enkel nieuwkomers zich druk om
maken.)

“Mijn baas wordt uitgerangeerd,” zegt Volodja. In gedachten verzonken kijkt hij naar zijn dobbertje, alsof het zal bewegen. Het is een vorm van
meditatie, zoals tijdens joga-oefeningen het kijken naar de vlam van een kaars.

Sergej zegt niets. Hij luistert maar met een half oor. Hij probeert een wormpje, dat koppig heen en weer kronkelt tusen zijn duim en wijsvinger,
mooi aan het haakje te rijgen. Niet slordig de worm aan het haakje hangen, zodat de helft van het lijf bengelt in het niets, maar mooi aan het kopje
binnen en langs het achterste buiten, zodat het als het ware een buisje vormt rond de haak. Hier is concentratie voor nodig. Daarvoor zijn ze hier
vandaaag. Voor de concentratie.

“Ik voer hem elke dag naar zijn werk, zoals de voorbije vijftien jaar,” zegt Volodja, “maar daar laten ze hem niet meer binnen. Om acht uur stipt
wil hij er zijn. Hij wordt zenuwachtig wanneer we vertraging hebben, alhoewel niemand op hem wacht.”

Volodja rukt aan zijn hengel en doet het dobbertje opspringen. Het gaat een paar keren onder en komt geleidelijk tot rust. Volodja volgt de
ringen in het water en vervolgt:

“We kunnen je diensten niet meer gebruiken, zeggen ze tegen hem. Je behoort tot de oude garde. De laatste tijd hoef ik de auto maar voor de ingang te
parkeren, of de bewaker komt de deur al uitgelopen om teken te doen dat we verder kunnen rijden. En dan moet ik de hele dag rondjes maken
door de stad, omdat hij niet vroeger naar huis wil. Hij wil niet dat zijn vrouw te weten komt dat hij ontslagen is. Gisteren heeft hij vijfduizend roebel
van me geleend.”

Sergej fluit verbaasd. “Vijfduizend roebel!” Hij smijt zijn hengel met een handige beweging in het water. Het molentje ratelt terwijl de vislijn
langer en langer wordt. Hij heeft er genoeg kracht achter gezet om de dobber vijftien meter verder in te vijver te doen neerplonsen. De lijn verslapt
door de val, maar Sergej haalt ze handig terug aan met het molentje. Hij gaat zitten op zijn koffertje met visgerief en zet de hengel in een houder in
de grond.

“Weet je wat,” zegt hij, ” de tijd is voorbij dat bazen in een Volga rijden met een chauffeur. Dat is niet prestigieus meer. Echte bazen rijden met
een Duitse wagen. Een Volga, dat is goed om toeristen naar het vliegveld te voeren en door de stad te rijden, op zoek naar klanten. Meer niet. Zijn
tijd is voorbij, net als die van je baas.”

De hengel van Sergej wipt op en neer. Hij staat opgewonden recht en haalt de hengel uit de houder, rukt even om de vis goed aan de haak te
krijgen en draait aan het molentje.

“Een karper,” zegt Sergej. Het visje klopt moeizaam met zijn staart op het gras. “Dat beestje ziet er niet gezond uit. Zouden we het naar huis
nemen om te tonen?”

“Laten we het terugsmijten,” zegt Volodja.

Voorzichtig neemt Sergej de karper van de haak. Hij laat het visje het water inglijden. Het zinkt naar de bodem, maar enkele seconden later
komt het weer bovendrijven, met zijn witte buikje de lucht in.

→ Andere postjes, mogelijk van interesse: Niet kosjer, De maaltijd, De aankomst, Sergej is overal tegen, Behang, ...

4 Reacties

Richard Osinga:

dromen van Volga’s
Mijn eerste Volga stond op mij te wachten bij de Chinees-Kirgizische grens. Ik was moe na een dag in Chinese busjes en viel op de brede achterbank al snel in slaap. Ik werd wakker toen de chauffeur de auto langs de kant van de weg stilgezet had. Om de auto heen niets dan kale bergen aan alle kanten en in de verte een soort stacaravan. In de stacaravan aten we gedroogd vlees en dronken we paardenmelk. Ik mocht een stukje rijden op het paard van de familie en keek uit over het eindeloze landschap, waarin zelf een Volga nietig leek.

louterlog:

Als meisje van 12 heb ik eens een visje teruggegooid, dat later met een wit bol buikje aan mij voorbijdreef. Ik heb daarna mijn hengel aan de wilgen gehangen.

Ruben:

Och arme, wat een schattig, triest verhaaltje. Mooi.

David:

Ik heb hier in Nederland meerdere malen een Lada gezien, maar een Volga volgens mij nooit.

Reageer

Uw email wordt nooit verspreid. Benodigde velden zijn aangeduid met *

*
*