Vandaag zijn we gaan wandelen in Heule. Dat is hier door het park rechtdoor. We belandden vrijwel meteen in de verkavelingen. Nieuw- en oudbouw. Op een uur tijd zijn we geen levende ziel tegengekomen. Het was alsof we in de film The Road terecht waren gekomen, die film met Viggo Mortensen die met zijn zoontje ronddwaalt in een uitgestorven wereld, omringd door kannibalen. Toen we op een paadje liepen tussen twee hagen door en een stuk wortel zagen liggen, kon ik alleen maar denken aan Blue Velvet en Kyle MacLachlan die een oor vindt. Deze associatie zal wel verband houden met de dood van Dennis Hopper. Dat heb ik vandaag op het nieuws gezien.

Verkavelingen zijn het materiaal voor zombiefilms. Het hoofdpersonage is een of ander middenkader met een Audi of een Mercedes (in de nieuwbouw in aanbouw rijden ze allemaal met dure Duitse wagens, ondanks de kleine woningen), heeft een huisje opgetrokken in rustieke baksteen en een lening tot zijn 60 jaar. Hij heeft een vrouw, twee kinderen en een hond en hij merkt hoe zijn ledematen beginnen rotten en hoe hij een stank begint te verspreiden. Of zoiets.

Buxussen in Kortrijk

We maken af en toe een wandeling, mijn vrouw en ik. Die loopt dan van de Burgemeester Vercruysselaan over de verzorgde dolomieten paadjes van het Koning Albertpark naar de rivier. In Kortrijk is dat de Leie. Dan langs het geasfalteerde jaagpad, waar het ook leuk fietsen is, in de richting van de viaduct over de Kortrijkse ring. Vandaag vielen de vele verse bloempjes me op en ik stopte elke tien meter om er naar te kijken, aan te ruiken, er te plukken, stuk te wrijven tussen mijn vingers, nog eens aan te rieken en te gissen naar hoe die dingen nu eigenlijk weer heetten. De meest exotische benaming die ik ken voor een bloem is ‘herderstasje’, kennis die dateert uit het vijfdje leerjaar van de gemeentelijke jongensschool te Waasmunster, toen we met de leraar langs de grachten wandelden tijdens de les wereldoriëntatie om kikkerdril in een potje te doen en toen er nog salamanders bestonden. Lees verder »

Mijn vrouw maakte me wakker om tien voor zes. ‘Wat is dat geluid?’ vroeg ze

‘Dat is het klepje van onze postbus,’ antwoordde ik.

Ze ging naar het venster. Het was nog stil op straat. ‘Er staat een vreemde auto rechtover de deur, en nu rijdt die weg. Wat hebben die in onze bus gegooid?’

‘Reclame, waarschijnlijk,’ knorde ik en legde me op mijn andere zij.

‘Ik ben er niet gerust in,’ zei mijn vrouw en ze ging naar beneden om te kijken wat er in de bus zat. Even later was ze terug.

‘Het was de krant.’

Mijn verslaving aan House M.D. heeft me aan een einde geholpen voor een verhaal waarmee ik vast zat. De verlichting kwam vanmorgen, nadat ik gisteravond de aflevering had bekeken die ik zondag had opgenomen. Onderwerp van de aflevering in kwestie: dokter House ontvoert de hoofdacteur van zijn favoriete ziekenhuissoap, omdat hij vermoedt dat die lijdt aan een hersentumor (uiteindelijk blijkt hij allergisch te zijn aan kinine). De acteur lijdt ook aan een depressie. Hij vertelt steeds dat hij iets zinvols wilt doen met zijn leven. House zegt dat hij dat dan maar moet doen, waarop de acteur antwoordt dat dit niet zo gemakkelijk is. ‘Jij bent één van die types met faalangst,’ zegt Dokter House. ‘Je bent bang dat je plannen mislukken. Daarom klamp je je vast aan de hoop. Maar weet je wat? Hoop is voor lulletjes.’

Mijn alter ego heeft weer een domein aangekocht, alweer met professionele doeleinden. Ditmaal is de url eenvoudiger te onthouden (voor mensen die mijn naam kennen). Het is niet veel zaaks, het is een online visitekaartje voor mijn vertaal- en tolkdiensten Russisch-Nederlands: www.nicolasseveryns.be.

Wat misschien interessanter kan zijn voor mensen die dit blog lezen, is dat ik daar ook een blog ben begonnen (het wordt verwarrend), eentje met meer beperkingen dan hier. Ik schrijf daar over alle letters uit het Russische alfabet, op basis van Russische woorden die ik markant vind. Het is tegelijkertijd educatief en ontspannend, zoals tegenwoordig alles hoort te zijn. Intussen staat mijn postjesteller op vijf. De volgende woorden zijn al aan bod gekomen: dermokratia, barsetka, sjachidka, sjestidesjatniki en portjanki.

Veel leesplezier!

Misschien ligt het aan de lente, maar ik hoop van niet. Ik ben weer beginnen schrijven, voor de zoveelste keer. Dit keer heb ik me uit de put getrokken met behulp van het boekje ‘Becoming a writer’ van een zekere mevrouw Brande, geschreven in 1934. Het gaat over het losmaken van het onderbewustzijn en het niet jezelf doen verzuipen in zelfkritiek. Zoiets kan ik wel gebruiken. Sinds eergisteren (hoe lang hou ik dit nu weer vol?) sta ik elke dag een halfuurtje (of beter een kwartiertje) vroeger op om te schrijven wat er in me op komt. Ik kan er al twee nachten niet van slapen, omdat ik zit te denken over wat ik die ochtend ga schrijven.

Ik heb me steeds geschaamd voor het feit dat ik zulke boekjes lees en ook voor het feit dat ik wel eens iets goeds zou willen schrijven. Toen ik nog student was, ging ik naar de bibliotheek en verstopte ik die boekjes tussen onschuldige romans, alsof het pornoboekjes waren. Nu is dat gemakkelijker, ik kan alles gewoon downloaden van het internet.

Die boekjes hebben me trouwens al meer ongeluk dan geluk gebracht. Zo liet ik een vijftal jaar geleden, toen ik ‘How to write a bestseller’ van een zekere Jerry Zuckerman aan het lezen was, mijn dochter op de grond vallen. Ze zat op mijn schoot toen ik aan pagina 153 was beland, waar Zuckerman beschrijft hoe hij één van zijn auteurs overtuigde om de Russische graaf, de Franse prostituee en de Engelse koetsier uit de roman te gooien, omdat er teveel personages in zaten en ze te vervangen door één personage. Ik was, moet ik toegeven, geboeid en probeerde het blad om te draaien om te weten te komen wat die Zuckerman allemaal nog zou uitvoeren met die arme schrijver waarover hij zich had ontfermd, mijn dochter balancerend op mijn rechterknie en het boek op mijn linkerknie. Ze zat bedachtzaam te zuigen op haar fopspeen en lichtjes te schommelen op mijn knie. Ik haalde even mijn rechterarm van rond haar lichaampje (dat nauwelijks groter dan mijn handpalm was) om het blad om te draaien. Toen ik dat deed, viel ze van mijn knie, met haar kop op de grond en begon te huilen.

Ik zou dus beter moeten weten dan het lezen van zulke boekjes.

Maar dit keer is het anders. Dat zeg ik ook tegen mezelf telkens ik mijn laatste sigaret rook. Dit is mijn laatste sigaret. Ik ga mijn onderbewustzijn leren verkennen. Ik ga me vrijmaken en schrijven als een gek. Alles wat in mijn hoofd opkomt, zonder om te kijken en me suf te peinzen en te twijfelen aan elk woord dat ik op papier zet. Hoe klinkt dat?

Mijn zoon stond in de badkamer zijn tanden te poetsen. Hij was in een rothumeur. De kat had op zijn deken gepist. ‘En dat allemaal omdat die deur niet dichtgaat,’  klaagde hij.

Sinds mijn vrouw zijn deur heeft geverfd, gaat de deur van zijn slaapkamer niet meer dicht.

‘Ik vind dat trouwens een inbreuk op mijn persoonlijke ruimte,’ zei hij, ‘dat mijn deur zomaar geverfd wordt, zonder mijn inspraak.’ 

‘Dien een klacht in bij de hogere instanties,’ zei ik.

‘Welke hoger instanties? Mama?’

Ik moest lachen. ‘Het is hier zoals in Rusland,’ zei ik, ‘alle klachten komen terecht bij de overtreder. Een souvereine democratie. Mama is Poetin en ik ben Medvedev.’ Ik verliet de badkamer.

‘En wie ben ik dan’, riep mijn zoon mij verontwaardigd achterna, ‘Chakamada?’

Vandaag zijn we naar de boekenmarkt geweest hier in het expocentrum. Ik zag er tussen de ‘laatste exemplaren’ het boek liggen van Michel Van Eeten, ‘Tegennatuur’. Het ligt al in de uitverkoop en is nauwelijks een jaar op de markt. Ik heb me ook het boekje ‘Literair Overleven’ gekocht van Dirk van Weelden, over hoe de literaire wereld er in ons taalgebied vandaag de dag uitziet, op commercieel gebied dan. Voor de rest heb ik voor 99 cent ‘Onrust in Moskou’ op de kop getikt van Gerard De Villiers, een flutromannetje in de oneindige SAS-reeks. Dat kon ik niet laten liggen, zeker niet omdat al op de eerste pagina’s KGB-ers in een Japans restaurant lauwe vodka drinken. Die De Villiers is echt van alle markten thuis. Ik had het zelf niet beter kunnen bedenken.

En hier is de hele zwik, goed voor een equivalent van 166 Twitterboodschappen:

‘Was me dat een hartelijke ontvangst,’ zei geoloog Joost De Bruyckere, toen hij zijn paspoort terug in zijn buiktasje opborg. Hij was net aangekomen in Moskou en stond te wachten tot zijn koffer van de band rolde in luchthaven Sjeremetjevo 2. Hij had zijn vrouw Hannah aan de telefoon om te zeggen dat hij goed was aangekomen. ‘Ik heb het nog nooit zo in mijn broek gedaan tijdens een paspoortcontrole. Die agent keek me aan alsof ik vijf condooms met cocaïne had ingeslikt’, zei Joost. Hij bestudeerde het plafond, dat beplakt was met door de jaren heen gedeukte koperen cirkels. ‘Net gerecycleerde conserven,’ dacht hij. ‘… Deze zomer met jou en de kinderen in Tunesië vond ik al randje boordje met die corruptie en dat onsmakelijke eten, maar dat was Afrika, verdorie. Rusland, dat is toch Europa? Lees verder »

Na lange radiostilte, hierna weer het begin van een nieuw verhaaltje. Om mezelf op gang te zwengelen, heb ik besloten een verhaaltje van Tsjechov over te schrijven, ‘Peresolil’ heet het, en het komt uit de bloemlezing ‘Humoristische Verhalen’, een Russische uitgave uit de jaren tachtig. Hierna volgt de eerste paragraaf. De rest zou logischerwijs moeten volgen:

‘Was me dat een hartelijke ontvangst,’ zei Joost Dekkers, toen hij zijn paspoort terug in zijn buiktasje opborg. Hij was net aangekomen in Moskou en stond te wachten tot zijn koffer van de band rolde in luchthaven Sjeremetjevo 2. Hij had zijn vrouw Hannah aan de telefoon om te zeggen dat hij goed was aangekomen. ‘Ik heb het nog nooit zo in mijn broek gedaan tijdens een grenscontrole. Die agent keek me aan alsof ik vijf condooms met cocaïne had ingeslikt …’ zei Joost. Lees verder »