Waasland shopping center by klausgena
Op de valreep: mijn bijdrage aan de nationale gedichtendag. Bedankt, Peewee, voor de sound!
Waasland shopping center by klausgena
Op de valreep: mijn bijdrage aan de nationale gedichtendag. Bedankt, Peewee, voor de sound!
Een teken van leven…
Computerles
Door Klaus Gena
Op een dag stond hij voor me.
Toen ik Zinovij leerde kennen, had ik iets tegen andersdenkenden, net zoals de rest van mijn collega’s. Achteraf gezien begreep ik dat we er bang van waren, hoe vreemd dat ook mag klinken. Wij, getrainde spierbundels in kevlar harnassen, tot op de tand gewapend en op demonstraties meestal in grotere getale dan de demonstranten zelf, dat zootje ongeregeld in uitgerafelde zelfgebreide truien, blote tenen in sandalen en frêle brilletjes, dat maar geen slagorde kon vormen omdat ze het onderling niet eens konden raken over wie de leider moest zijn, wij moesten onszelf voor elke opdracht moed inspreken en elkaar ophitsen met allerlei woorden vol haat en weerzin om die angst te overwinnen, de angst dat we besmet zouden raken met het virus van de twijfel, de angst dat het onze hersenen zou binnensijpelen met een mooie beeldspraak.
Ik stond dus nerveus in zijn deurgat, voelde me naakt zonder mijn harnas, zonder mijn collega’s naast me, in mijn gedachten pakte ik mijn schild en sloeg er ritmisch op met mijn matrak, ondertussen stampend met mijn voeten, als om de boze geesten te verjagen. Op een gespeeld onbezorgde toon stelde ik hem de vraag of hij mij niet wilde leren werken met de computer, zodat ik beter mijn vaderland kon dienen. Dat was ongeveer de toedracht en zo had de kolonel me gezegd dat ik de vraag moest stellen. Geen zwakte tonen, er een positieve draai aan geven.
Gisteren gaf ik een banaan aan mijn dochter. Ik gaf een ruk aan het steeltje, zodat het brak en ik de schil gemakkelijk kon verwijderen.
Mijn vrouw moest lachen. In Rusland doen ze dat immers omgekeerd. Daar pakken ze een banaan en pulken ze met de vinger het achterwerk van de banaan open, daar waar de pit zit (of iets anders, ik ben niet zo goed in de anatomie van bananen), en verwijderen zo de schil.
Lees verder
Deze foto wilde ik mijn lezerspubliek toch niet ontzeggen. 1986, het jaar van Tsjernobyl. Russische mode.
Zijn er nog vragen? Meer moois hier.
Ik heb eindelijk weer een verhaaltje geschreven dat beantwoordt aan mijn kwaliteitsvereisten. Hier is het:
Potloodventer
Door Klaus Gena
‘Juffrouw, juffrouw, kijk eens deze kant op!’ riep Pjotr Ivanovitsj naar een schoolmeisje van een achttal jaar met twee vlechtjes met witte strikjes in een blauw uniformpje en met een roze lichtgevende boekentas op haar rug. Het meisje keek om, want achtjarige meisjes zijn altijd nieuwsgierig. Haar mond vertrok in een angstvallige grimas, het leek of haar mond plots was stilgevallen bij het kauwen van het chocolaatje dat ze net had gekregen voor haar eerste schooldag. Pjotr Ivanovitsj schoot in de lach. ‘Vind je hem mooi?’ vroeg hij, de panden van zijn regenjas wijd open houdend, zodat ze een mooi zicht kreeg op zijn stijve paarse penis.
Halsoverkop sloeg het meisje op de vlucht. Haar boekentas wipte angstig op en neer op haar rug.
Pjotr Ivanovitsj sloot met een glimlach zijn regenjas. Een deuntje fluitend wandelde hij op het grindpaadje in de richting van de hoofdallee van het Koltsovpark. Zijn dag was goed begonnen.
Hier een liedje van mijn vriend Klaas, die door het muzikale leven gaat als Trönte. Het stemgeluid is van mij, opgenomen met het zelfgemaakte headsetje waar ik mijn vertalingen in dicteer. Trönte – de onnozele bollebozen by Troente
Ik raad u meteen ook aan even te luisteren naar de rest van zijn muziek.
‘De heesters die werden kortgehouden door de openklappende autodeuren.’
Dat heb ik gisteren gelezen in de Hondenkoning van Walter van den Berg, dat ik had meegenomen naar het toilet, waar het nu gezelschap uitmaakt van Freud, Stalin en Dostojevski van Karel van het Reve en het kookboek Caloriearm Koken.
Mijn zoon is zich volop aan het voorbereiden op de examens. Hij studeert lineaire algebra met behulp van Youtube-video’s waarin een Amerikaanse professor met een Duits accent, turkoois overhemd, beige slacks en een joekel van een mobilofoon (toen heette dat ding nog geen gsm) aan zijn broeksriem vastgeklemd de hoofdrol speelt.
Ik heb nog de tijd van de pagers (biepers) meegemaakt in Rusland. Dat is misschien tien jaar geleden. Iedereen had er toen één, ook mijn Russische schoonbroer, die in de animebusiness zit. Op een bepaald moment had hij zelfs een tombola gewonnen bij zijn telecomoperator. De hoofdprijs was een ‘gouden pager’: een gratis pagerabonnement voor de rest van zijn leven.
Ik denk dat die telecomoperator er vandaag liever niet aan wordt herinnerd dat hij ooit had gedacht dat de pager nog een lang leven was beschoren.
Tijdens het surfen – ik was op zoek naar een passend wikiscript – stootte ik op de homepage van de bedenker van Vimki, een wiki voor de teksteditor Vim.
Ik had een déjà-vu toen ik op zijn site terechtkwam. De laatste draft van zijn roman heeft hij geschreven in Markdown (in Vim weliswaar). Dat formaat exporteert hij vervolgens naar Latex, waarna het Latex-bestand wordt omgezet in een pdf-bestand. Zover ga ik ook in mijn procrastinatie. Ik ben ondertussen proficient in Latex en vergelijkbare opmaaktalen als Context en Lout, heb Vim onder de knie (emacs heb ik natuurlijk ook een tijdje geprobeerd, maar dat vond ik te moeilijk). Kortom: ik ben bereid mijn ziel te verkopen om maar niet te moeten schrijven (Seth Godin – niet dat ik het hoog op heb met kerels die zichzelf guru noemen – zou zeggen dat ik mijn Lizard Brain niet onder controle heb).
De aspirerende schrijver, bedenker van Vimki, gaat echter nog een stap verder dan ik. In plaats van zijn klad gewoon zelf uit te printen, verzendt hij het bestand naar print on demand-bedrijf Lulu en laat zich een netjes ingebonden boek opsturen.
Ik ben gefascineerd.
Gisteren stond ik te wachten op mijn bestelling (twee grote, een kleintje, een Bicky, twee kippensatees en stoverijsaus in een potje) aan de frituur op de Dolfijnkaai (alsof er dolfijnen in de Leie zwemmen). Ik wisselde met de uitbater enkele opmerkingen uit over het weer en de regering, waarna het gesprek stokte. De frituurbaas stond wezenloos in het borrelende frituurvet te kijken, alsof zijn frieten daar sneller van zouden gaan bruinen. Ik stelde me voor hoe hij met een andere klant al lang in een levendig gesprek verwikkeld zou zijn, één dat hem zijn frieten zou doen vergeten, en begon me ongemakkelijk te voelen. In een opwelling zei ik hem dat 2010 het slechtste jaar was dat ik ooit had meegemaakt.
Hij trok verwonderd de wenkbrauwen op bij mijn bekentenis. Misschien verwachtte hij een vervolg op mijn onthullingen, misschien vond hij dat ik de ongeschreven wetten van het kapperspraatje had overtreden en had moeten blijven uitweiden over het vochtige weer en de regeringsvorming.
Deze gêne voel ik ook bij de kapper of in een café en, toen ik nog in Moskou woonde, in taxi’s. Maar taxichauffeurs zijn van nature uit een zwijgzame soort. Kappers en cafébazen moeten het hebben van hun sociale vaardigheden. Enkel bij mij klappen ze toe als mossels.
Ik doe nochtans mijn best. Zo bedenk ik bij de kapper kwinkslagen om het ijs meteen te breken. Maar ik slaag er nooit in ze uit te spreken. Van zodra er één op het puntje van mijn tong ligt, is het juiste moment al voorbij.